zondag 15 september 2019

Presikhaaf op Alteveer Lezing Wetenschapscafé Vreedenhoff

Lezing Vreedenhoff-Wetenschapscafé over oud Presikhaaf 15.30-16.30 uur 3 sept.2019

Goedemiddag allemaal. Laat u niets wijs maken, De bewoners van de wijk Presikhaaf wonen wel in Presikhaaf maar op Alteveer. En de bewoners van de wijk Alteveer leven daar dank zij de wijken Broek en Presikhaaf.
Mag ik mij even voorstellen: Piet Schreuder (Piet) geb.29 jan.1925 in de Valkstraat 8 Vogelwijk. Voor ons huis was nog een trapje van 6 treden om bij de kruidenierswinkel Hupkes te komen.
Hoeveel jaar ben ik nu?... 

De Vogelwijk ligt op één van de hoogste heuvels van Arnhem. Vanaf de Velperweg loopt de Hoflaan stijl omhoog, daarna de Verlengde Hoflaan en dan nog een trapje van 6 treden op, de Vijverlaan oversteken en je bent er. Ik kom dus van hoge huize.... Wij deden toen alles lopend. Mijn vader leerde er fietsen. Als er onweer was geweest, stonden de bewoners boven die trapjes over de Betuwe te kijken of er een boerderij getroffen was.
Mien voa kump uut Grunningn en mien mem uit Bolsward Friesland. Allemaal vlakke land. Ze moesten op hun 11e jaar van school af. Vader Kees leerde van Ome Piet het kleermakersvak (mijn opa heette ook Piet) en ging in Arnhem werk zoeken want in de Noordelijke provincies was weinig werk te vinden. Moeder Geertje van Dalen werd dienstmeisje bij een generaal BD in Berg en Dal bij Nijmegen. De tuinmansvrouw was een ZdAdventiste en bracht die levensovertuiging aan Geertje over. Toen Kees dat hoorde, ging hij elke week één keer, soms twee keer, naar Berg en Dal. Die naam zegt al iets anders dan platte land. Ze trouwden in Arnhem, kregen een dochter en daarna een zoon. En daar zit ik nu. Ze vonden het met die bossen en uitzichten prachtig. Vele mensen gingen op hun vrije dag naar de Stenen Tafel, hoog de Monnikensteeg op, een overblijfsel van het Karthuizer klooster daar. Er stond een koek- en soapietent. 
Mijn ouders gingen op zondag de hele dag wandelen naar de Posbank en omgeving of door de Betuwe. Eerst mijn zusje in de kinderwagen of wandelwagen mee. Een paar jaar later ik erbij.
Mijn vader was bestuurslid van de buurtvereniging. 
Allemaal berg op. Als je vanaf Velp een straat rechtsaf ging was het allemaal berg op. Eigenlijk begon de “opmaat naar het Veluwemassief” al vanaf de  spoorlijn naar Zutfen. Bij de Heselbergerweg hield de Cattepoelseweg op, want de wijk Alteveer bestond nog niet. Daar was het in mijn herinnering alleen maar zandgrond en bomen, de wijde onbekende wereld. Niet lang later kwam van daaraf een smalspoortje voor het zandtreintje, dat lorries vol grond trok. Met dat zand werden de broekse moerassige weilanden opgehoogd om er de wijken Broek en Presikhaaf te kunnen bouwen. 
Wij kregen in 1931, ik was 6 jaar, van de Woningstichting te horen dat de Vogelwijk op instorten stond en wij in het Broek en in een nieuw gebouwd deel van Plattenburg een woning moesten zoeken. Mijn ouders kozen voor Plattenburg, Maria van Gelrestraat53. Stel je voor: eerst boven op en berg wonen en dan in 1933, ik was 8 jaar, opeens in het laag gelegen Plattenburg. De naam Plattenburg zegt het al. En wij hebben er geen spijt van gehad. Wist u dat u hier ook op Plattenburg woont? Mijn vader werd direct gevraagd voorzitter te worden van voetbalvereniging Plattenburgerboys. Ik voetbalde bij de pupillen. De ouders en kinderen vroegen mij na de oorlog de jeugd bezig te houden. Ik richtte jeugdclup LEGOP op: Lichamelijke En Geestelijke Ontwikkelingsclup Plattenburg. Ik ging met de jeugd en jongeren elke zondag de hele dag wandelen door de bossen tot aan Woestehoeve toe, en elke avond voetballen en handballen op zelf geëgaliseerde trapveldjes weerszijden het dijkje van het spoor naar het Esperantohuis. Daar is nu de heemtuin waar ik uit mijn woonkamer de hele dag op uit kijk. Als daar een boom omvalt kijk ik of er in de top mijn naam stond, want ik klom vaak in bomen.  

Mijn eerste kennismaking met Presikhaaf was op mijn 5e jaar achterop het balkonnetje van het smalspoortrammetje van de GTW dat gillend langs de poortjes achter de spoorlijn naar Dieren liep en zich daar splitste in richting Apeldoorn en Doesburg. Wij gingen met dat treintje onze eerste buitenlandse reis maken naar Duitsland, naar de mooie tuinen van het kasteel van de vorst van Zalm tot Zalm in de buurt van Kalkar. Er staan nog oude stationsgebouwtjes langs die routes. Schuin achter de het smalle viaductje Schaapsdrift, nu W.v.Pontbrug, stond een hoog stationsgebouwtje. Het trammetje hield ook vaak stil bij de Kernheimpoort, het middelste smalle viaductje van de drie. Daar stapten de meisjes van ENKA (later AKZO-Nobel) in en uit. Dat stationsgebouwtje werd later het huis van Heuterman, misschien de oudste familie van Plattenburg,  Ze hadden daarachter een groot knollenland. De beek die er langs liep diende om de knollen schoon te maken geschikt voor veevoeder.
Presikhaaf werd vroeger het belangrijkste buitengoed van Arnhem genoemd. Het strekte zich uit van de IJsselwaarden tot aan de Velperweg. Vanuit de bovenkamer van ons huis keek je over de spoordijk naar een wereld van weilanden tot aan de spoorlijn naar Zevenaar. Je zag alleen maar in de verte de schoorstenen van de steenfabriek en een stukje van de spoorbrug over de IJssel. Een wijde wereld om door ons, avontuurlijke kwajongens, ontdekt te worden. Er slingerde een zandpad doorheen, maar wij vonden het moediger door die weilanden te lopen en over de sloten daar te springen. Soms met de boeren en politie achter ons aan. Op de helft was het zijpad “De Lange Wal” langs de wetering naar Velp. 
Vooraan was een schoon smal kanaal met gezuiverd water, waar de kinderen in speelden en schuin daarachter was een groter vierkante half moeras half water, de Pacht van Natura genoemd, omdat hengelsportverenigingen daar kleine visjes vingen waarmee zij konden hengelen in de Rijn of de IJssel, die verderop samen kwamen. 

Maar ons dagelijks avontuur en de vaste wandeling van onze ouders waren in het prachtige in Engelse landschapsstijl aangelegde bospark Presikhaaf met in het middelpunt een witte villa, dat het culturele centrum voor zwakzinnigen was. Dat was het eigenlijke landgoed, 5 minuten van ons huis. Er woonde lang voor onze tijd een hoofd van een kapittel, een priesterorde, de Presik. Hof betekent tuin, perk of landgoed, Haaf genoemd. Samen Presikhaaf. Later kwam dominee Everwijn er te wonen en werd het voor herstel van zwakzinnigen gebruikt. Psychiater  Kaas nam in de oorlog de leiding over. Toen die vertrokken nam de gemeente het over en bood het te koop aan. Een Mevr.Isbrucker uit Den Haag was bestuurslid van de Esperantobeweging, die net als mijn ouders, mijn zus en ik die wereldhulptaal propageerden wegens de vele ruzies tussen inwoners van verschillende landen met hun eigen talen, waardoor ze elkaar niet verstonden. Zij kocht de villa voor, schrik niet, 1 gulden. Maar wij moesten het onderhoud betalen en tegen vernieling beschermen. Toevallig waren de hoofden van de scholen waar mijn zus en ik op zaten, ook Esperantisten. En één van hen, Sinjoro Moreau, ging er met zijn gezin wonen. 

Toen ik vóór het cursusseizoen langs het daarna genoemde Esperantohuis liep, hoorde ik opeens vanaf het balcon roepen: “Peco, kiel vi fartas!” Een Tjechische priester, Sinjoro Andreo Tsjè, was leraar Esperanto. Hij stond als eerste op het balcon de omgeving te verkennen. U woont hier aan de Esperantolaan die 100 meter over een dijkje doorliep over het spoor naar het Esp.huis, waar nu de heemtuin is. Voor en na de spoorwegovergang stond een bord met de mededeling: “Post la transiro de la fervojo fermu la barilon”. Na de oorlog kwam minister Klompé van oorsprong Arnhemse, het naambordje van deze Esperantolaan onthullen in aanwezigheid van o.a. Sinjoro Rosseel van de Oude Velperweg. Ik heb daarvan ergens een foto liggen die in de krant stond.

Een heel groot avontuur voor ons was bijna jaarlijks de overstroming van de IJssel. Als wij uit het slaapkamerraam over al die weilanden keken, zagen wij tot onze verbazing opeens één groot meer! Dat was voor ons jongens een nieuw avontuur. Er was een werkkeet met materiaal vooraan, waar wij drie lange planken aan elkaar bonden waarmee wij met drie jongens op gingen vlotje varen. Gevaarlijk, want je zag nu niet de diepe sloten, de weteringen, waarover je ging. Menigeen kwam met een nat pak op één klomp thuis. 
En als het vroor werden er ijsbanen aangelegd en kwamen er baanvegers en koffietentjes. Uit heel Arnhem kwamen ze daar schaatsen. De grote jongens bonden vóór de Schaapsdriftpoort de schaatsen onder, hielden elkaar achter bij de heupen vast en schaatsten in een lange sliert tot wel Dieren toe, waar maar ijs door ondergelopen land was. Bij de Kernheinpoort staat in de muur een steen met de woorden “7 meter boven Hollands Pijl”. Het water stond soms een eind op de Beeldhouwerstraat langs de boerderij van Teet Visser, die er nog staat. Teet vertelde mij heel veel van die tijd, Ook dat hij de steen na de vernieling door de oorlog vond waarop het jaartal 1863 stond, toen die poort daar gebouwd werd. Achter de spoordijk waren nog 5 boerderijen. Schuin tegenover het Esperantohuis stond de boerderij van Kruk, die de zwakzinnigen die niet meer in de witte villa konden wonen, op zijn land te werk stelde. Het waren nette mensen met elk hun eigenaardigheden. Ze liepen met een broodtrommeltje onder de arm over de Plattenburgerweg naar huis. De jongens scholden hen uit voor gekke Teet, gekke Jan, enz. Teet reed ook met een handwagen met hakhout langs de deuren en riep door de brievenbussen: “Waarde huisgenoten, kom bij het vuur en warm je poten”. Bij de grote familie Frijters, 3 huizen naast ons, schoof hij soms bij het eten aan. Er was overal voor zulke mensen eten genoeg. Wij deden gewoon wat water bij de soep. 

De meest vooruit staande boerderij Bethanië in het broek was van Minkman. De schoondochter van hem, Ietje Dahles, werd het melkmeisje van Plattenburg. Later penningmeester van de buurtvereniging. In de boerderij werd Nico geboren. Op Plattenburg, waar het gezin in het huis hoek J.v.Arnhemstraat M.v.Gelrestraat ging wonen, werd Wim geboren. Beiden werden lid van mijn jeugdclubje. Vooral Wim wist te vertellen hoe zij bij hoog water de kelder van de boerderij met emmers moesten leeg scheppen. Ik las in het Arnhems archief dat de boerderij in de 15e eeuw behoorde bij het daar gelegen klooster Bethanië. Als je daarvan de geschiedenis wilt weten kan je het beste mijn boek kopen. Op een foto staat de waterput met een grote steen ervoor met Hebreeuwse letters. Die steen is zoek. In de put werd het puin van de kapot geschoten boerderij gedumd, net als in de vijver van het bos.

Een hele belangrijke boerderij “Zonneweelde” van Albert van Maanen, stond achter de nu Beverweerdlaan waar nu de wijk Wellenstein naast nu de Intratuin staat. De parkeerplaats voor de Intratuin was vroeger het voetbalveld omgeven door sloten, van Plattenburgerboys. Achter de Intratuin stond de houten  wielerbaan. De beroemdste wielrenners van Nederland streden daar tegen elkaar. Wij kwajongens fietsten er stiekem. Zonneweelde had een grote fruitbongerd…. Je moest 2 sloten over en tussen een hek van ijzerdraad kruipen om bij die appels te komen. Ik dank daaraan veel vitamines. Als de knechten Herman en Jan van Van Maanen ons op de Velperweg inhaalden, vroegen ze naar onze namen. Mij vriend zei direct zenuwachtig: Jan Gerritsen en ik wist niet anders te bedenken dan: Gerrit Jansen. Op kampeerterrein De Jutberg bij Loenen waar ik veel later met de jeugdclub kampeerde, kwamen we die knechten tegen en hebben we samen er om gelachen. 

HET KINDERKOLONIEHUIS stond op de hoek van de toen onbestrate Ruitenberglaan. Nu staat daar de Technishe school van de HAN met daar in een stolp de maquette van het Esperantohuis. Arnhemse ambtenaren die met de trein van 8.28 uur elke morgen richting het Noorden reisden vonden bos Presikhaaf zo mooi en gezond, dat zij op initiatief van de Paasberger Poche elke dag geld inzamelden om er een groot huis te laten bouwen voor de stadse bleekneusjes uit het Westen. Ze noemden het grote huis “Trein 8.28” naar de vertrektijd van de trein. Elk seizoen zagen wij in het park een groep kinderen in hun blote bovenlijf o.l.v. een verleegster in witte verpleegstersjas, met een wit kapje op, door de paden lopen en met elkaar spelen. Achter het huis stonden een lange tafel en stoelen opgesteld, waaraan ze aten en dronken. 

KOLONIALEN. Andere vaste bezoekers waren de kolonialen in zwartgeel uniform van Bronbeek. Wij zaten met hen op de banken hun meestal verdrietige verhalen aan te horen. Ome Jan was de gezelligste prater. Hij liet de corresondentie lezen, die hij tussen hem in Indië en zijn familie in Nederland had gewisseld. En iedere Arnhemmer kende Flip de Fluiter. Hij was een trouwe bezoeker van Vitesse en had altijd onder zijn koloniale hoge ronde pet een geelzwart klotje, dat hij bij elk doelpunt van Vitesse afzette en hard floot, zodat iedereen zei: Flip is er ook weer. Kon je wel horen ook.
De houten BOERDERIJ EVERS stond 100 meter richting poort dan waar de stenen boerderij nu staat. Die deed later dienst als kinderboerderij, officieel nu geheten ‘stadsboerderij’’, omdat het educatief moest zijn. Het loopt er druk. Ik kijk er elke dag op uit. Boer en boerin Evers hadden 1 zoon, Henk en 2 dochters, Elly en Annie. Ook een  Ome Jan woonde bij hen in en werkte mee op het land en voor de verzorging van het vee. Ze stierven allen, Henk aan leukemie. De vrouw met wie Henk was getrouwd leeft ten tijde van dit schrijven nog in een vrijstaand huis in de wei langs de straat “De Weg naar het Lange Water”. Ik zie haar elke week met haar hond achter mijn flat langslopen. 
De 3 kinderen wilden ook lid van de jeugdclub worden en ik moest op hun dringend verzoek eens met hun ouders gaan praten. Maar het mocht niet van hen. Een paar keer per jaar kwam een Velpse boer over broek rijden met een stier om bij Evers de koeien te laten dekken. Dat ging onder grote belangstelling van ons, kinderen.

Dit is een deel van mijn herinneringen aan landgoed Presikhaaf, aangevuld met gegevens uit het stadsarchief. Misschien heb ik antwoord op uw vragen, maar meer vindt u in mijn boek “Presikhaaf het verhaal van een landgoed”, en natuurlijk in het stadsarchief.

P.S.: Zolang deze zin er staat is dit "artikel" ongecorrigeerd.

woensdag 11 september 2019

Herinneringsmaaltijd 17-9-194 in Arnoudstraat en Vreedenhoff

De burgemeester van Arnhem had de bewoners van wijken en buurten voorgesteld "herinneringsmaaltijden" te organiseren om de aanval van de Airbornetroepen op Arnhem op 17-9-1944 te gedenken. Arnhem stond toen in de belangstelling van de gehele wereld. Het gezegde "een brug te ver" ontstond daarna. Bij de maaltijden was het dus passend enige woorden aan die aanval te wijden. 
Voor de wijk Plattenburg kon men niemand anders vinden dan ik om die toespraak te houden omdat ik de enige was die wegens mijn leeftijd van 94 jaar en het dus persoonlijk meemaakte, daarvan een kort verslag te doen. Ik heb niet de gave van het spreken in het openbaar.  Daarom had ik al eerder twee boeken geschreven waarin die geschiedenis beschreef. Ze werden in het Arnhems archief opgenomen. Ik hanteer echter ook het motto: als niemand het anders wil of kan dan moet ik wel. Ik typte vijf a-viertje vol met 18 punts letter, want ik zag en hoorde meer en meer dat hoger opgeleiden hun te houden toespraak uitschreven en daarvan gebruik maakten. 
Hieronder volgt dat ingekorte verslag. Tot mijn grote opluchting verdween mij schroom, liet het papier in mijn binnenzak, sprak voor de vuist weg en kreeg ik na afloop een flink applaus, bloemen en langdurige complimenten. Ik voelde me lid van een familie. Dit garandeert niet dat ik een  volgende keer niet dezelfde 'schroom'  zal voelen. Mijn bewondering voor degenen die 'zomaar' hun woord doen, is nu wel groter geworden.

Herinneringsmaaltijd 17 sept.1944

Voor mij begon de oorlog pas toen ik buurvrouw Freijters hoorde huilen.
Ik was 15 jaar toen wij op 10 mei 1940 in de MvGstraat wakker werden door een aanhoudend zacht ronkend geluid.
Toen we naar buiten keken zagen we wel 100 vliegtuigen ongeordend schijnbaar kalm van richting Westervoort naar de binnenstad vliegen. Met een dreun zakte de IJsselbrug in elkaar en even later de Arnhemse Rijnbrug.
De buren stonden allemaal in het achterpaadje. Buurvrouw Freijters begon te huilen, want dit was geen oefening meer, en zoon Kees stond aan de Grebbelinie. Ik ben na de de overgave daar naar toegefietst en zag op de Grebbenberg twee begraafplatsen pal tegenover elkaar. Links die van de omgekomen Duitsers, rechts van de gesneuvelde Hollanders, en dacht aan de huilende moeders van die Duitse en Hollandse jongens die 4 jaar ouder waren dan ik.

Agent Dake fietste door de straten en riep dat we allemaal het huis uit moesten. Want Plattenburg lag aan de rand van de stad die het eerste zou worden aangevallen. Ik nam de kat en 2 jonkies mee in een tas, maar die sprongen in de JvArnhemstraat er al uit en holden naar huis terug. Ons gezin kreeg onderdak bij de postbode Van Megen in de St.Janskerkstraat. Met de zoon daar van mijn leeftijd ging ik naar de Eus.buitensingel kijken wat daar te doen was. Een eindeloze stoet paarden en kleine wagens met balen stro reed kalm richting binnenstad. Twee mannen in uniform op de bok. We gingen naar het stationsplein waar Duitse motorrijders met soldaten in de zijspannen een rustpauze hielden of ze op vakantietochtje waren. Toen wij te dichtbij kwamen, schoot er één in de lucht. Wij jongens namen een paar dagen vrij van ons werk. Dat vonden wij niet erg…

De vliegtuigen bombardeerden Rotterdam en Nederland gaf zich over en werd door de Duitsers bezet. Na drie dagen keerden we naar huis terug en het leven ging verder of er niks was gebeurd. Wel merkwaardig dat ook de politie en de ambtenaren gewoon hun werk bleven doen. Erger was dat de agenten de Duitsers meehielpen Joden uit huis te halen. Die kregen een gele ster op de borst. Velen van mijn klasgenoten als Jopie v Gelder uit mijn straat en Zetta Harvon uit de Novalaan zagen we nooit meer terug. Ik liep met Japie Smaak uit mijn klas die een ster op had trots naar de stad. Gerrit Smeenk was de brutaalheid zelve. Hij woonde in de Reinaldstraat hier vlak bij. Hij werd tewerk gesteld in Hall Duitsland en zei daar: “Wacht maar tot de Tommies komen”. Zijn vader kwam bij mij met de portemonnee van Gerrit, die hij toegestuurd had gekregen. Een week later kwam hij met zijn portefeuille. Ik zei hem naar de Sicherheitzdienst in het PGEM-gebouw moest gaan. Dar hoorde hij dat Gerrit was overleden. Hantie Herder, vier huizen van ons af, zei, dat Gerrit over brandend hout had moeten lopen en dat brandend over zijn lippen was gestreken.

Ik werkte op de Oeverstraat bij boekbinderij Van Daal en op een dag in 1942 moest ik een pakje wegbrengen. De straten in de binnenstad liepen vol mensen. Dat was de landelijke februaristaking tegen het wegvoeren van de Joden. Ik waarschuwde de collega’s die ook de straat op gingen. De volgende dag was het weer gewoon. De 4 jaren daarna mengden Duitse soldaten zich tussen de mensen, alleen of marcherend in zingende groepen over de Velperweg naar de Weimarkazerne. ’s Avonds en ’s nachts hoorden we vaak gezoem en vlogen hoog in de lucht eskadrons van 20 Engelse vliegtuigen langzaam over met afweergeschut van de Duitsers achter hen aan. Een keer leek een vliegtuig geraakt te zijn en fladderde naar beneden. Halverwege richtte hij zich op. Dat was om de Duitsers te misleiden. Als we gezoem hoorden doorkruisten schijnwerpers opeens de lucht. Eén vliegtuig liet zijn 4 bommen achter de spoordijk met zware dreunen vallen. De Coehoornkazerne werd gemist, 2 huizen aan de Hoflaan ernaast lagen toen in puin. 2 doden. Nijmegen en de Rijnkade werden per vergissing gebombardeerd. Gruwelijke verhalen.
De vader van de kort geleden overleden Appie Roest was met anderen op de trein gezet naar Duitsland. Bij de Driepoorten reed de trein langzaam en sprongen zij eruit.

Wij wenden er aan en lieten ons niet weerhouden ‘s zaterdags en ’s zondags naar de stad te gaan. In de bioscoop, in de zwembaden en in de bussen en treinen zaten we tussen de Duitsers in. Zo waren er talloze incidenten en geruchten. In de overheidsgebouwen waren biljetten op de muren geplakt met opschiften als “Roddelen schaadt uw volk” en “Vijand luistert mee” en “Muren hebben oren”. Bazen die vol haat op de Duitsers scholden, waren heel vriendelijk voor ze als ze werk voor hen moesten doen.

Dit was in het kort de toestand waarin wij vier jaar leefden. En toen begonnen pas de gewelddadigheden die wij nu na 75 jaar op aanmoediging van B&W bij een “gezellige” maaltijd willen herdenken. Het word gezellig vind ik eigenlijk ongepast t.o.v. de duizenden jongens van mijn leeftijd die elkaar moesten doden. In mijn ogen geen helden maar slachtoffers. Om het bezit van het spoorviaductje O’beek Laag schoten 300 jongens elkaar dood. Moeders huilden en Engeland en Duitsland. Er was geen winnaar.

Toen begon het pas. In de nacht van 15-16 september vloog het Schaapsdriftpoortje met een daverende ijzeren klap in de lucht. Toen de morgen  aanbrak zagen we de rails verwrongen overeind staan. Er kwam nog een trein aanrijden die voor het kapotte poortje moest stoppen. Er sprongen allemaal ongewapende geüniformeerde mannen uit die een praatje aan het hek van de spoorberm kwamen maken. Het bleken krijgsgevangen Polen. Een uurtje later werden ze door een paar officieren in de rij gezet en lopend afgevoerd naar de Weimarkazerne.
In de stad hingen pamfletten dat als de daders zich niet aanmeldden zouden vooraanstaande Arnhemmers gefusilleerd worden. Mijn vader was niet alleen voorzitter van Plattenburgerboys, maar ook bekende antifascist, die voor Hitler gevluchte Duitsers onderdank verleende. Er staat achter het Openluchtmuseum een monument van 6 slachtoffers en in de muur in de Bakkerstraat is een stem gemetseld waar nog eens 6 namen van slachtoffers staan. De zondag daarop, het was de beruchte 17e september, zat ik voor moeder in angst en beven aardappels en appeltjes te schillen. Mijn kostje. Elk ogenblik konden de Duitsers mijn vader ophalen.
Maar in plaats daarvan klonk opeens het gedaver van dalende vliegtuigen met schietende kogels laag over de daken. Een aantal gaten ziet u nog in de muur van het Hofje in de Magistraat. Het geraas hield even op, maar zodra het weer aanzwelde vluchtten wij naar de gang en doken onder de jassen, alsof die ons konden beschermen tegen de dodelijke granaten. Aannemer Van Capelle, de oude wat dove vader van de buurvrouw die in de Agnietenstraat woonde, stond doodkalm in de deuropening naar het tafereel te kijken of het een spelletje was.

Het bleef een paar dagen stil. Wij, kinderen, gingen op straat de lege hulzen zoeken. Er was geen water, geen melk en geen brood. Wij gingen bij kolenboer Eggink op de Schaapsdrift met emmertjes water halen, stonden in de rei bij melkzaakje Gerrits voor een pintje melk, en er was een lange rei naast bakkerij Van Asselt voor elk een brood. Geruzie wie er vooraan mocht staan. De gebrekkige mentaliteit van veel bewoners kwam aan het licht. Aan mopperen geen gebrek.
Om de 3 plantsoenen stonden hekken, waarover wij nooit mochten klimmen. Nu wel. Er was geen agent te zien. De jongens van Van Ingen waren muzikaal en op hun gitaarmuziek zongen wij in afwachting van de Canadezen die elk ogenblik de Plattenburgerweg zouden inkomen.
Vanuit het bovenraam zagen wij opeens 12 tanks door het broek vanaf Westervoort rijden. Ze gingen onder het kapotte Schaapsdriftpoortje door. Het bleken Duitse tanks. De buurt keek toe en zag gevangen landgenoten boven op de tanks zitten met een sigaretje op. Het vechten zat er voor hen op. Bij de Oude Velperweg zagen we tot onze schrik dat de tanks richting binnenstad en Oosterbeek reden.

Politie kwam weer te voorschijn. Weer met het bericht dat we moesten evacueren. De Duitsers zowel als de Engelsen hadden dat bevolen voor onze eigen veiligheid. Het bewaarschooltje aan de Plattenburgerweg was een Rode Kruispost geworden. Vader en ik meldden ons direct aan. Er bleek een nog een oude man in het souterrain in de Parkstraat te zitten. Met diens zoon en een geleende handwagen wij er naar toe. Bij de Rijnbrug iets verder werd gevochten. Vanaf de N.O.hoek Presikhaaf (nu heemtuin) werd met een mortier granaten naar de binnenstad afgevuurd. We zagen de granaten in de lengte van de spoorbaan vliegen. Bij de woning van de oude man vloog een granaat over ons hoofd in de school van de Schoolstraat.
De oude man met wit haar en witte baard zat op een ligstoel. We zetten hem met stoel en al op de wagen en reden door de Hertogstraat de Velperweg op, waar van tegengestelde richting de ratelende tanks reden. Hij leek net Sinterklaas. We leverden de man netjes in op de Rodekruispost, gingen naar huis waar moeder en zuster al huisgerei op de fietsen laden. Met zoveel spul als we dragen konden mengden wij ons in de oneindige stoet families met hun spullen, waarop duidelijk een witte vlag moest staan, vanuit de lucht te zien. Sommigen hadden uit V&D waardevolle dingen gestolen en sjouwden die mee.
Arnhem werd zo goed al geheel ontruimd. Wij waren evacués geworden.
Als u wilt weten wat er daarna met ons gebeurde en wat wij na 9 maanden in onze straten en huizen terug vonden, staat in mijn boek geschreven. Google maar in “Van Huis en Haard Verdreven”.

Hebt u nog vragen?




woensdag 21 augustus 2019

HOE LAAT IS HET



                                                 HOE LAAT IS HET?

Angst een slechte raadgever? Nou, vergeet het maar. Je moest ze de kost eens geven die gedreven door angst zich tot een hogere macht wendden om het onheil te keren. Het waren heus niet alleen Adventisten die een berg beklommen om de Verlosser van al die door ervaring en al of niet Bijbelse voorspellingen van ellende tegemoet te gaan teneinde, hoe ook, met Hem in een gelukkige toestand te geraken.
Dat was van het begin van het menselijk denken al zo. Wee de gerusten in Sion die zich veilig wanen ieder onder zijn eigen vijgenboom. Waarschuwingen van die aard genoeg om die niet in de wind te slaan.
Mensen die de keuze maakten een macht als Jahweh, schepper van het bewoonbaar maken van de planeet aarde en onderhouder van het heelal te erkennen en in zijn plan geloofden het kwaad te vernietigen en het goede te herstellen, vonden daar enige vrede bij, ondanks dat de gevolgen van het kwaad nog voelbaar en zichtbaar is. Zij willen dolgraag anderen in die vrede laten delen en zijn daarin tot op zekere hoogte geslaagd. De tijd dringt nu zo erg, dat velen van hen zien dat hun boodschap, die over heel de wereld verspreid moet zijn alvorens die Verlosser komt, niet de meerderheid van de bevolking bereikt. Voor hen een reden niet meer mee te doen. Dan zijn zij net als die anderen ziende blind en horende doof.

Geen nood. Er zijn teksten die zeggen dat tegen het einde Jahweh zijn geest over alle mensen zal uitgieten. En als de mensen nu geen geloof hechten aan Zijn beloften, dan zullen zij wel moeten. Want zij die geen ingang voldoende vonden voor hun aankondiging, hoeven niet meer op “geloof”, dat vereiste argumenten ontbeert, te steunen. Nee, zij worden afdoende door de “wetenschap” bevestigd met onweerlegbare bewijzen uit de praktijk.

De laatste jaren maken regeringsleiders zich in toenemende mate ernstige zorgen over de bevindingen van geleerden, die het verloop van het klimaat volgen. In het poolgebied zie je stukken ijs ter grote van Nederland op de televisie met de regelmaat van de klok in zee vallen die de zeespiegel doen stijgen, waardoor de rivieren steeds moeilijker hun water kwijt kunnen. Bossen in Alaska, Canada en Siberië, die nooit branden hebben gekend, staan in brand. Blussen helpt ten dele, want het vuur woekert ondergronds voort om ergens anders weer uit te breken. Oorzaak: droogte.
Boeren in Nederland klagen steen en been over mislukte oogsten.
Klimatologen, weervoorspellers en andere wetenschappers kwamen de één na de ander, soms zelfs met twee tegelijk vertellen dat mensen die nu 30 jaar of jonger waren en  degenen die nog geboren moesten worden, binnen 50 jaar met een wereldklimaat van constante 40 graden te maken zullen hebben. Ik heb geen reden om aan de oprechtheid van Elga van Leur en Gerrit Hiemstra, die deze toestanden bevestigen, te twijfelen. En zelfs kwam de dag voordat ik dit schreef een psychiater bij Jinek aanschuiven wegens zijn boek: “Het is goed ongelukkig te zijn”. (als ik de titel goed onthield). In de laatste preken die ik in de kerk beluisterde, kwamen onderwerpen als het nut van verdriet, stress, verwardheid, gestoorden, enzovoort, aan de orde.

Natuurkundigen als Einstein en Stephen Hawking, waar velen zich als realisten aan optrekken, relativeerden hun bevindingen al met de uitspraken: “Ik hoop maar dat God bestaat”. Mensen die nog verkiezen ziende blind en horende doof voor dit alles te zijn, doen zichzelf te kort omdat zij geen hoop voor zichzelf en anderen van verleden, heden en toekomst hebben. Je hoeft geen doemdenker te zijn om dit te verkondigen. Het is wel zo, dat de waarheid verzwijgen volgens mij gelijk staat aan liegen. Ik probeer beide kanten van de huidige berichtgevingen tegen elkaar af te wegen in de hoop voldoende in evenwicht te geraken. Dat lijkt me realistisch. “Doorzoek uzelven nauw, opdat gij het eeuwige leven hebbe”.

woensdag 31 juli 2019

Bres Terugblik 11


Bres Terugblik 11               Uit het dal

Mijn moeder Geertje kwam vanuit Bolsward naar Berg en Dal bij Nijmegen om daar als dienstmeisje bij een generaal B.D. te gaan werken. De vrouw van zijn tuinman vrouw was een Sabbatvierende Christin. Haar levensbeschouwing sprak Geertje aan en nam die over.
Mijn vader, Kees Schreuder, reeds Sabbatvierend Christen, kwam uit Groningen en vond in Arnhem werk als kleermaker. Hij kwam van het vlakke land naar een heuvellandschap waarvan hij een groot liefhebber werd. Toen hij van Geertje hoorde ging hij regelmatig, soms twee keer per week, naar haar toe. Toen mijn zus Corrie en ik waren geboren, gingen wij eerst in de kinder- of wandelwagen mee, en zo gauw wij konden lopen liepen wij mee. Fietsen hadden onze ouders in het begin nog niet.
Ik wil maar zeggen: zij hebben aan mijn in toename wisselende stemmingen geen enkele schuld. Misschien geef jij als je eens pech hebt, die nu de schuld aan al die berichten over de milieuvervuiling en klimaatverstoring. Er moet toch een schuldige zijn? Als deelnemer aan een milieugroep met deskundigen zou ik me zeer tekort moeten voelen. Maar dan denk ik weer aan een medepatiënt op de hartafdeling die zei: “Nemen wat er komt en het beste ervan maken.” Ik ging na een week al naar huis, maar hij moest met zijn bacterie in het hart nog een half jaar blijven. Daarna bleven wij elkaar af en toe opbellen. Hij was in Renkum indeler van bouwgrond, wat dat ook moge zijn. Hij zei de laatste keer, dat hij tegen een andere patiënt op zijn kamer had gezegd: “Je moet niet zo zielig doen man”. Beetje hard hè, maar dat heb je soms nodig.
Vrees niet; ik ga mij niet op de borst trommelen om te tonen hoe goed ik wel ben. Dat zou ongeloofwaardig zijn ten opzichte van mijn blogje terugblik genaamd “Depri”. Zie het als een poging in evenwicht te komen. Dat vergt eerst denken en dan doen. In mijn geval schriftelijk: “zelfreflectie”. Een moeilijk woord voor ‘bezinning’. Beide kanten van de medaille zien.
Ken je verhaaltje van de man die vond dat hij het kruis wat hij te dragen had veel te zwaar was voor zijn geringe kwaliteiten? Hij zocht de oplossing in een kapelletje ver weg hoog in de bergen. Daar hingen honderden kruizen van boven tot onder. Daar had hij het voor het uitzoeken. Het was wel een behoorlijk tijdje zoeken, maar dat had hij er natuurlijk graag voor over. Na een aantal dagen riep hij opgelucht: “eureka’! Hij zou met dat kruis volledig tot zijn bestemming komen. Hij hoefde daarvoor niet eens al die eerder vastgestelde mislukkingen te herinneren die hem het leven onmogelijk maakten. Integendeel: hij zag ze nu als noodzakelijk om tot die zoektocht te komen, die hem tot het geluk brachten.
Uiterst belangstellend keek hij op de achterkant van het kruis….. en zag daarop zijn eigen naam staan.
Wat onder zijn naam piepklein stond was moeilijk te lezen, maar wat er stond was de moeite van het turen waard. Ik zal proberen het hier over te schrijven.

Kort na de oorlog 40-45 kwam ik een Esperantist tegen. Dat is op zichzelf al een wonder, want zoveel aanhangers van die kunstmatige idealistische wereldtaal waren er in Arnhem niet, ondanks het “Esperantodomo”, een prachtig landhuis dat in het nabije park Presikhaaf  stond. Hij was een eigenwijze stotteraar, die het allerbeste met iedereen voor had. Zijn vader was de oud burgemeester van Grave. Die had een villa in de Julianastraat Velp gekocht. Op het zolderkamertje had de Esperantist een paar typmachines, een stencilapparaat en nog wat kantoorspullen staan. Hij maakte o.a. het blaadje van de kerk van Rozendaal. De rijkste gemeente van Nederland. De predikant-dichter Barnard, opvolger van de beroemde De Genestet, had hem daartoe verzocht. Dat alleen al was een aanbeveling voor allerlei verenigingen in de buurt om hun blaadje ook bij hem te laten stencilen.
Je kent mijn zoektocht naar een baan, dus kon ik onmogelijk weigeren. Af en toe reden nog tanks over de lange Velperweg-Arnhemse straatweg.
De hondjes waren nog niet aan druk verkeer gewend en vooral aan dat geratel van die joekels van tanks. Ik zag vijf keer een hondje overreden worden, wat blijkbaar aan mijn treurige ervaringen toegevoegd moest worden. Een troost waren de meisjes die op de fiets van Velp naar het kantoor van de ENKA (nu Akzo-Nobel) mijn tegenliggers waren. Wij begroetten elkaar vrolijk met opgeheven handen. Ik heb nog spijt…. Nee, daar begin ik nu niet over.

Daar kwam een einde aan toen mijn patroon het nodig vond een leegstaande winkel in het beruchte Arnhemse Klarendal te huren en als stencilkantoor in te richten. Daar fietste ik nu elke dag heen. De ruimte was als van een huiskamer en hij was kettingroker. Ik ademde een paar jaar die rook in. Toen hij wegens darmklachten in het ziekenhuis onderzocht werd, constateerden ze daar uitgezaaide longtuberculose. Hij kuurde twee jaar in sanatorium Julianaoord en keerde gezond terug. Intussen had ik de zaak van nieuw zeil en behang voorzien en het plafond van de bruine laag bevrijd. Zijn bedrijfje was steeds in stand gehouden door zijn broer miljonair die in Singapore woonde. Nu deed hij dat niet meer, omdat hij zag dat ik met winst draaide. Ik had mij zelf mijn bescheiden loontje betaald. Ik wist echter niet dat mijn baas nooit premie voor ziektekosten voor mij had betaald. De boekhouder van de familie, die jaarlijks mijn huishoudboekje had gecontroleerd voor de belastingen, had mij dat ook nooit verteld. De toestand was nu zo, dat hij zelf weer op verkwistende wijze ging werken en geen geld meer voor mijn diensten had. Ik had nu zoveel ervaring in stencilen en zaken doen, dat ik voor mijzelf kon beginnen.
De omgang met de leveranciers van inkt, papier enz. waren zodanig dat zij maar al te graag bereid waren mij van het nodige materiaal gingen voorzien.

Nu komt de tweede mazzel. Als lid van de Jeugdbond Voor Onthouding had ik in die bond heel wat kennissen. Eén daarvan was directeur van een grote drukkerij en voorzitter van de Arnhemse drukkersbond. Hij belde mij omdat hij gehoord had dat ik in het voorkamertje van ons huis met stencilen was begonnen. Hij vertelde dat zijn drukkerij in een straat stond waar in en om die straat nog tien andere drukkerijen stonden. Die hadden allemaal grote drukoplagen met moderne machines en geen tijd voor kleine oplagen. Of ik asjeblieft in hun straat mijn bedrijfje wilde vestigen. Hij vertelde dat er juist een hele grote kamer was vrij gekomen, dus… Ik ging kijken en zag dat dat pand pal tegenover de grootste drukkerij uit die buurt stond. Ik belde de eigenaar op en vroeg of het geen bezwaar was als ik mijn bedrijf tegenover hem vestigde. Hij zei: “Zeker heb ik daar groot bezwaar tegen als je mij niet eerst belt wanneer je komt, want dan helpen wij jou je zaak inrichten”.
Om kort te gaan: ik runde mijn bedrijfje daar ruim dertig jaar. Maar nog steeds in de wetenschap dat hoezeer ik ook mijn best deed ik daarvan nooit een gezin van zou kunnen onderhouden.

Nu komt de derde mazzel. Als lid van de Vredesbeweging Kerk en Vrede protesteerde ik mee tegen de jaarlijkse feestelijke NATO-taptoe op de grote markt. Tienduizenden bezoekers binnen gesloten terrein. In mijn drukkerijtje werden de folders gedrukt en borden met leuzen gemaakt, waarmee tientallen leden voor de ingang van het terrein stonden om de folders uit te delen aan de bezoekers, die de borden op stokken gedragen lazen: “Geen vrolijke muziek bij oorlogsrethoriek” en dergelijke leuzen meer. Hut waren allemaal militaire muziekkorpsen die uit Europa deelnamen. Zelfs het militaire muziekkorps van Portugal ten tijde dat President Salazar, nog steeds aanhanger van de verslagen Hitler en dictator van Portugal, was aanwezig, en eveneens het fraai geuniformeerde militaire  Turkse doodskoppenregiment. Het gemeentebestuur trok zich onze protesten aan en besloot de NATO-taptoe niet meer toe te laten.
Op naar de vierde mazzel. Als leider van de Arnhemse straatjeugd, was ik op dringend verzoek van de gemeente, lid van het comité “Viering nationale feestdagen voor de Arnhemse jeugd”. Behalve de Arnhemse jeugdambtenaar Van Amerongen en de bedrijfsleider van de grote winkelzaak Bervoets, was Kapitein Reinders van de Luchtmachtsbrigade lid van het comité. En… bovendien was hij de leider van het muziekcorps van de Luchtmacht en als zodanig leider van de gehele NATO-taptoe. Vlak voordat hij met zijn korps ging optreden, kwam hij in vol ornaat (berenmuts en militair kostuum met tressen en kwastjes) door de toegang naar buiten om mij de hand te geven, een folder in ontvangst te nemen en een kort vriendschappelijk praatje met mij te houden. Talloze bezoekers zagen dat.
De volgende mazzel was de grootste. Ontmoeting Gerda.


dinsdag 30 juli 2019

Terugblik depri 10


Bres Terugblik 10
                                                DEPRI
16-6-19
Was ik mooi een fraaie neerslachtigheid aan het opbouwen en komt dit er nog bij. Droefheid troef. Niet ‘Tel uw zegeningen één voor één’.
Misschien begon het met vlagen enkele weken geleden aan te komen met het schrijven van mijn autobiografie op www.pietschreuder.blogger.nl om mijn kinderen als die het ooit lazen na mijn dood te laten lezen wat voor vader en stiefvader ze hadden. Ze hebben altijd relaties aan wie ze dat willen vertellen.
Oorzaken:
1. In een vorige blog Terugblik 9 kan je lezen welke pogingen ik aanwendde een beroep te vinden dat passend voor mij was. Alle vergeefs. Een psycholoog bood ook geen uitkomst. Tijdens het beschrijven van die periode, voelde ik mij volledig weer daarin verplaatst, terwijl ik juist die tijd probeerde te vergeten.
2. Ik vond verschillende malen een meisje zo aardig en enigen vonden mij ook zo aardig, dat ik na korte tijd steeds besefte dat ik geen van allen een goede toekomst had te bieden. Verkering aanmaken is al een opgave, het fatsoenlijk uitmaken een onmogelijkheid. Ik wist me geen raad en liet hen gewoon beschaamd op de afgesproken plaats staan. Enige malen werd ik nog door enigen, nu weduwe of gescheiden dames, benaderd en begon mijn geweten weer lange tijd te klagen.
3. Om met anderen mee te kunnen denken over de beweerde betekenis van de Bijbel voor de mens, wilde ik voor ongeveer de vijfde maal van mijn leven dat oudste Boek vanaf het begin tot het einde doorlezen. Ik was bezig met Ezechiël en nam Hosea er nog even bij. Als je depressief wilt worden is het lezen van deze hoofdstukken  een sterke aanrader. Hoorde je in preken en gespreksgroepen over een liefdevolle, barmhartige en vergevende God Jahweh, dan lijkt het mij begrijpelijk dat je in plaats daarvan gaat denken aan een wraakzuchtige, oerharde, vernietigende, niet vergevende Vader aan wiens eisen je onmogelijk kunt voldoen. Zacharia maakte mij met zijn tekst 8:4 ook niet vrolijk. In het nieuwe Jeruzalem ouden die niet zonder stok kunnen lopen?
4. Er werd mij door verschillende kerken in boeken de uitleg van de voorspellingen door de profeten voor gehouden. Tot ik (en met mij velen) zowel uit de Bijbelse- als profane geschiedenis ontdekte dat die ‘explicaties’ totaal niet klopten. Ik hield dat aan geestverwante christenen voor. Die zagen mij toen als een groot kwaad voor de gemeenschap, een jongen die nodig bekeerd moest worden. Een doop op mijn belijdenis kon om die reden in hun kerk niet.
5. Ik had reeds lang geleden voor mij de termen “laag zelfbeeld” en “minderwaardig-heidcomplex” uitgevonden. Iedereen had gaven, talenten en wat meer nodig was om in het leven op minstens één gebied te slagen. Ik was daarvan nu eenmaal uitgesloten, al wilde ik nog zo graag niet de zielepiet uithangen.
6. Ik sla de rest oorzaken maar over, want ik ben die ik ben, want een week vóór dit schrijven verdween mijn huisgenoot, kat Miepsie, wat mij al die feiten nog eens op de neus drukte.  (Een lichtpuntje: veertig buurtgenoten hielpen mij zoeken. Twee van hen gingen zelfs om 11 uur ’s avonds en drie uur ’s nachts door het bos naast ons lopen, al roepend: “ Miepsie! Miepsie”! Een zwerfachtig type kwam met foto’s die hij van rondlopende katten had genomen. Een buurvrouw was bij de oude Italiaanse dame twee deuren verder, op de grond voor bed en bank gaan liggen kijken. Tevergeefs. Tot de Italiaanse thuishulp van de Italiaanse kwam zeggen dat de Italiaanse een groot bruin beest onder de bank zag zitten. Hij liet zich makkelijk pakken. Daarna alle helpers berichten en danken.
7. ‘Vroeger’ zag ik de mensen in de boeken, als echte mensen staan, liggen, lopen en alle handelingen doen die mensen maar kunnen verrichten. Ik wilde dit ook kunnen doen, ze zelf scheppen, maar ik zag er geen mogelijkheid toe. Ik probeerde het toch echt goed te doen. Net zomin als een schilderijtje maken waarin ik de natuur, waar wij mensen deel van uitmaken, levend zag worden. Ondanks enkele toevallige succesjes, geloofde ik niet dat ik dat zo kon om van te kunnen leven. Van de zes boekjes, waarvan twee werden gedrukt, lag er één in de boekhandel en één in de digitale boekhandel Bolcom. “Presikhaaf het verhaal van een  landgoed, werd om de paar maanden met acht stuks aangevuld. Platform Presikhaaf had het betaald en een eerste deeltje door Grafische Bedrijven Arnhem, laten drukken. De gebundelde twee delen werden door Uitgeverij Kontrast te Oosterbeek gedrukt en voor 8,85 euro aangeboden. Kontrast kreeg er 2 euro van. Ik niets. Het tweede boek Van Huis en Haard Verdreven, werd ontfermd door een twijfelachtige Printing on Demand-uitgever, die mijzelf belastte met de promotie. Als er in de vier afgelopen jaren acht van werden verkocht is het veel. Ik gaf de gratis presentexemplaren die ik ontving, aan familie en in ruil voor een ander boek, weg. Schrijverschap? Vergeet het maar. Er was geen belangstelling voor. Dagblad De Gelderlander negeerde het. Dat was nou echt een illusie. Dat het sinds mijn kindsheid in mij leefde, is misschien misschien wel de grondslag van mijn mislukte beroepsleven.
8. Zag ik zelfs kinderen het podium beklimmen om voor de vuist weg hun verhaal te doen; ik verklaarde dat ik spreekangst had. Moest ik eens de Gemeenteraad, gedeputeerden of een wethouder toespreken, dan moest dat van een papiertje. Dat ik later Marc Rutte en de paus dat ook zag doen, was om later te kunnen bewijzen wat ze wel en niet hadden gezegd.
9. Tenslotte (er moet toch eens een eind aan mijn klaagzang komen): ik kreeg niet zo lang geleden, in de gaten dat ik elk gewenst klassiek muziekstuk kon googlen en beluisteren. Ik genoot er zo van, dat ik het met een ‘link’ moest delen met vooral mijn familie en geestverwanten van wie ik het e-mailadres had. Respons: nauwelijks. Weg verwantschap. Elk mens is anders, ook waar hij ontroerd van kan worden.
Al die tijd leven met het besef dat ik mijn tekortkomingen mijzelf niet had aangepraat, maar dat ze werkelijk bestonden. Ik ben daarin alleen ondanks het Bijbelboek Klaagliederen van Jeremia.. Hetzelfde geldt nog pijnlijker voor mijn onweerlegbare argumenten voor de onzin van een aantal leerpunten van de geloofsgemeenschap die ik bezoek. Niemand durft te reageren, of de vastgestelde laaggeletterdheid is ook op die gebieden toegeslagen.

En toch, en toch…. moet ik mijn kinderen en andere relaties iets positiefs achter laten. Als ik toegeef aan een schrijversblok zou dat mijn einde zijn. Hè hè.
 



woensdag 19 juni 2019

Moos


Bres          MOOS

Op de grafsteen van Mosie staat: “De verkoop gaat door op nr 39”. Hij geloofde dat zijn handel tot na zijn dood eens verkocht zal worden. Het graf van zijn illustere voorganger, de zachtmoedigste man ter aarde, is onvindbaar. Zal zijn bedoeling hebben. Waarschijnlijk om niet een bedevaartsplaats te scheppen en zijn woorden des temeer belangstelling zouden wekken. Christenen zien het Oude en Nieuwe Testament als een geheel. Het ene kan niet zonder het andere. Ze nemen de Bijbel mee naar de bijeenkomst, maar behalve het scheppingsverhaal en de tien geboden wordt er misschien wel tachtig procent minder over het O.T. gesproken en gepreekt dan over de twintig procent N.T. Ik las eens in de Advent, dat de meeste christenen in China alleen het N.T. hebben.
Vandaag besloten voorlopig een punt achter ’terugblik 8” (mijn poging tot het schrijven van een autobiografie) te zetten. Ik werd de laatste weken een beetje depressief en veronderstelde dat het door mijn vergeefse pogingen kwam mijn talenten te ontdekken. Ook het toenemende besef was er schuld aan dat niemand, ook mijn kinderen niet, er enige belangstelling voor hebben, evenmin als voor mijn twee uitgegeven en tien niet uitgegeven boeken. Een schrijver, hoe slecht ook, dient net als Rembrandt, arm te zijn om na zijn dood bekend te worden. Dus gaf ik de twee door de uitgever aan mij geschonken presentexemplaren weg zodat ik mijn eigen boek niet meer op de plank heb. Slechts eenmaal in de veertien dagen spreekt iemand in het parkje naast mij mij aan met de mededeling dat hij mijn boek over landgoed Presikhaaf heeft gelezen. Daar kan ik net mee thuis komen.
Een andere toegevoegde waarde aan mijn depressie is het voor de zoveelste maal de hele Bijbel in verschillende vertalingen doorlezen. Ik ben met veel predikanten overtuigd dat je bij het begrijpen en uitleggen van de Bijbel elke tekst in het licht van het geheel moet zien. Dus N.T.-teksten met O.T. teksten vergelijken. Onze prof Rudie Moere noemt dat in zijn website “spiegelen”. Want Hosea schrijft immers dat mijn volk verloren gaat omdat het geen kennis heeft. (4:6). In de Bijbel in Gewone Taal heet het: omdat het Mij niet kent. Dus probeer ik kennis te vergaren en God steeds beter leren kennen. In de meeste vertalingen staat in Leviticus: Ik heb jullie juk gebroken, zodat jullie weer met opgeheven hoofd kunnen lopen. In de prettige vertaling “Het Boek” staat daar als enige tussen die vertalingen: “Ik zal jullie weer een gevoel van eigenwaarde geven.” Dat woord zocht ik al lang, want ik ging dat gevoel ontberen.
Na de grote profeten Jesaja, Jeremia inclusief zijn Klaagliederen en Ezechiël, kwam ik aan de kleine profeten toe en lees nu de iets mildere Hosea. Maar ook deze kon mijn droefheid niet verzachten. Enige troost voor mij was dat Reinder Bruinsma zich Nieuw Testamentisch Christen noemt. Er daagt voor mij enige hoop, want tjonge, wat geven die profeten Israel, Juda en alle volken er namens God Jahweh van langs. Die misdadige overtreders van Gods wil en wet worden met de gruwelijkste dood bestraft. Hele volken en steden, ook Jeruzalem worden regelmatig geheel verwoest. Geen mens wil en zal er nooit meer wonen. Als God voor de zoveelste maal spijt krijgt en de steden en volken weer in oude glorie herstelt, dan begint na de kortste keren weer hetzelfde liedje. Dan is de zondvloed er niks bij. Door verdrinking stierven ze binnen een kwartiertje. Maar toen Noach en zijn gezin een nieuw leven, zoals Gods wilde, begonnen, lees je al in het begin dat hij een wijngaard maakte (statussymbool), zich bedronk en naakt in zijn tent ging liggen. Kon zijn zoon er wat aan doen dat hij hem zo zag liggen? En wie kreeg de schuld, ondanks dat hij hem bedekte? 
Enfin: er kwam een mooie regenboog die ons eraan zal herinneren dat zoiets nooit weer zou gebeuren. De wereld zou tenslotte door 'vuur' vergaan. Ook geen prettig vooruitzicht, levend verbrand te worden. Dat vergt enige uitleg. Van Moere zei al: "Je moet niet alles letterlijk nemen". 



dinsdag 18 juni 2019

Terugblik 9 Depri


Bres
                                    DEPRI
16-6-19
Was ik mooi een fraaie neerslachtigheid aan het opbouwen en komt dit er nog bij. Droefheid troef. Niet ‘Tel uw zegeningen één voor één’.
Misschien begon het met vlagen enkele weken geleden aan te komen met het schrijven van mijn autobiografie op www.pietschreuder.blogger.nl om mijn kinderen als die het ooit lazen na mijn dood te laten lezen wat voor vader en stiefvader ze hadden. Ze hebben altijd relaties aan wie ze dat willen vertellen.
Oorzaken:
1. In een vorige blog Terugblik nr 8 kan je lezen welke pogingen ik aanwendde een beroep te vinden dat passend voor mij was. Alle vergeefs. Een psycholoog bood ook geen uitkomst. Tijdens het beschrijven van de tijd, voelde ik mij volledig in die tijd verplaatst, terwijl ik juist die tijd probeerde te vergeten.
2. Ik vond verschillende malen een meisje zo aardig en enigen vonden mij ook zo aardig, dat ik na korte tijd steeds besefte dat ik geen van allen een goede toekomst had te bieden. Verkering aanmaken is al een opgave, het fatsoenlijk uitmaken een onmogelijkheid. Ik wist me geen raad en liet hen gewoon beschaamd op de afgesproken plaats staan. Enige malen werd ik nog door enigen, nu weduwe of gescheiden dames, benaderd en begon mijn geweten weer lange tijd te klagen.
3. Om met anderen mee te kunnen denken over de betekenis van de Bijbel voor de mens, wilde ik voor ongeveer de vijfde maal van mijn leven dat oudste Boek vanaf het begin tot het einde doorlezen. Ik was bezig met Ezechiël en nam Hosea er nog even bij. Als je depressief wilt worden is dit een sterke aanrader. Hoorde je in preken en gespreksgroepen over een liefdevolle, barmhartige en vergevende God Jahweh, dan lijkt het mij begrijpelijk dat je in plaats daarvan gaat denken aan een wraakzuchtige, oerharde, vernietigende, niet vergevende Vader aan wiens eisen je onmogelijk kunt voldoen. Zacharia maakte mij met zijn tekst 8:4 ook niet vrolijk. In het nieuwe Jeruzalem ouden die niet zonder stok kunnen lopen?
4. Er werd mij door verschillende kerken in boeken de uitleg van de profeten voor gehouden. Tot ik (en met mij velen) zowel uit de Bijbelse- als profane geschiedenis ontdekte dat ze totaal niet klopten. Ik hield dat aan geestverwante christenen voor. Die zagen mij toen als een groot kwaad voor de gemeenschap, een jongen die nodig bekeerd moest worden. Een doop op mijn belijdenis kon in hun kerk niet.
5. Ik had reeds lang geleden voor mij de termen “laag zelfbeeld” en “minderwaardigheidcomplex” uitgevonden. Iedereen had gaven, talenten en wat meer nodig was om in het leven op minstens één gebied te slagen. Ik was daarvan nu eenmaal uitgesloten, al wilde ik nog zo graag niet de zielepiet uithangen.
6. Ik sla de rest oorzaken maar over, want ik ben die ik ben, want een week vóór dit schrijven verdween mijn huisgenoot, kat Miepsie, wat mij al die feiten nogeens op de neus drukte.
Ik sla de rest oorzaken maar over, want ik ben die ik ben, want een week vóór dit schrijven verdween mijn huisgenoot, kat Miepsie, wat mij al die feiten nog eens op de neus drukte.  (Een lichtpuntje: veertig buurtgenoten hielpen mij zoeken. Twee van hen gingen zelfs om 11 uur ’s avonds en drie uur ’s nachts door het bos naast ons lopen, al roepend: “ Miepsie! Miepsie”! Een zwerfachtig type kwam met foto’s die hij van rondlopende katten had genomen. Een buurvrouw was bij de oude Italiaanse dame twee deuren verder, op de grond voor bed en bank gaan liggen kijken. Tevergeefs. Tot de Italiaanse thuishulp van de Italiaanse kwam zeggen dat de Italiaanse een groot bruin beest onder de bank zag zitten. Hij liet zich makkelijk pakken. Daarna alle helpers berichten en danken..
7. ‘Vroeger’ zag ik de mensen in de boeken als echte mensen staan, liggen, lopen en alle handelingen doen die mensen maar kunnen verrichten. Ik wilde dit ook kunnen doen, ze zelf scheppen, maar ik zag er geen mogelijkheid toe. Ik probeerde het toch echt goed te doen. Net zomin als een schilderijtje maken waarin de natuur, waar wij mensen deel van uitmaken, levend zag worden. Ondanks enkele toevallige succesjes, geloofde ik niet dat ik dat zo kon om van het leven. Van de zes boekjes, waarvan twee werden gedrukt, lag er één in de boekhandel en één in de digitale boekhandel Bolcom. “Presikhaaf het verhaal van een  landgoed, werd om paar maanden met acht stuks aangevuld. Platform Presikhaaf had het betaald en een eerste deeltje door Grafische Bedrijven Arnhem, laten drukken. De gebundelde twee delen werden door Uitgeverij Kontrast te Oosterbeek gedrukt en voor 8,85 euro aangeboden. Kontrast kreeg er 2 euro van. Ik niets. Het tweede boek Van Huis en Haard Verdreven, werd ontfermd door een twijfelachtige Printing on Demand-uitgever, die mij belastte met de promotie. Als er in de vier afgelopen jaren acht werden verkocht is het veel. Ik gaf de gratis presentexemplaren die ik ontving, aan familie en in ruil voor een ander boek, weg. Schrijverschap? Vergeet het maar. Er was geen belangstelling voor. Dagblad De Gelderlander negeerde het. Dat was nou echt een illusie. Dat het sinds mijn kindsheid in mij leefde, is misschien misschien wel de grondslag van mijn mislukte beroepsleven.
8. Zag ik zelfs kinderen het podium beklimmen om voor de vuist weg hun verhaal te doen; ik verklaarde dat ik spreekangst had. Moest ik eens de Gemeenteraad, gedeputeerden of een wethouder toespreken, dan moest dat van een papiertje. Dat ik later Marc Rutte en de paus ook zag doen, was omdat ze later konden bewijzen wat ze hadden gezegd.
9. Tenslotte (er moet toch eens een eind aan mijn klaagzang komen): ik kreeg niet zo lang geleden, in de gaten dat ik elk gewenst klassiek muziekstuk kon googelen en beluisteren. Ik genoot er zo van, dat ik het met een ‘link’ moest delen met vooral mijn familie en geestverwanten van wie ik het e-mailadres had. Respons: nauwelijks. Weg verwantschap. Elk mens is anders, ook waar hij ontroerd van kan worden.
Al die tijd leven met het besef dat ik mijn tekortkomingen mijzelf niet had aangepraat, maar dat ze werkelijk bestonden. Ik ben alleen ondanks het Bijbelboek Klaagliederen van Jeremia.. Hetzelfde geldt nog pijnlijker voor mijn onweerlegbare argumenten voor de onzin van een aantal leerpunten van de geloofsgemeenschap die ik bezoek. Niemand durft te reageren, of de vastgestelde laaggeletterdheid is ook op die gebieden alom toegeslagen.

En toch, en toch…. moet ik mijn kinderen en andere relaties iets positiefs achter laten. Als ik toegeef aan een schrijversblok zou dat mijn einde zijn.
  



woensdag 5 juni 2019

Terugblik 8 Levensloop 21-24 jaar 1946-19949


Bres
Terugblik 8 Levensloop 21-24 jaar 1946-1949.

Mocht een familielid of kennis in de beschrijving van de volgende periode hiaten ontdekken, het zij zo. Dat gebeurde niet opzettelijk. De gebeurtenissen zal ik eerst maar zonder volgorde opnoemen. Ter inleiding nog het volgende: ik kreeg van een psycholoog en verschillende predikanten te horen dat ieder mens één of meer talenten had. Dat ontken ik ten stelligste, tenzij het een talent moest zijn om van de talenten van anderen gebruik te maken. Verder ontdekte ik dat mensen een beroep hadden wat ze met tegenzin slecht uitoefenden. 

Geprobeerde beroepen met en zonder arbeidskaart, allemaal mislukt: 
Magazijnbediende – Souvenirverkoper – colporteur infraroodverwarmer – Lichtmatroos op coaster – Aardappelrooier – Dienstweigeraar – Stencilist – Typist – 9 maanden vergeefse opleiding timmerman –  verspreider kaarten van een schriftelijk onderwijsinstituut,  huisvuil onderspitten voor verluchten bosgrond Warnsborn – sloten graven in Barneveld – assistent 2e-hands boekhandel Geerts, waar ik op een zwiepende ladder tot aan het hoge plafond de boeken op volgorde moest zetten. Ik stak per ongeluk een miniwoordenboekje van 3x5 cm in mijn zak voordat ik daar na veertien dagen vertrok. In het d.w.kamp vond ik het boekje in mijn koffer en zond het met een excuusbrief aan Geerts terug. Goed hè. Thuiskomend maakte moeder een boterhammetje voor me klaar alsof ze het al wist, pakte ik mijn rugzak en ging lopend de Apeldoornseweg op en ging lopend en liftend langs de Zuiderzee om zwervend Nederland te zien. Logeerde in Bolsward bij ome Nico en tante Coba. Bij Stadskanaal wist ik niet hoe gauw ik weer thuis kon komen. Zo’n tocht maakte ik eveneens naar het Drielandenpunt en Maastricht. Ik heb beide tochten beschreven, enz. enz. Nooit meer zwerven.
Vrije tijdsvulling als :
Zoeken naar een vriendin met één keer als gevolg de vreselijke ziekte verliefdheid wat mij elf maanden kuren kostte in Oranje Nassau's Oord  Renkum, inclusief drie weken in Academisch Ziekenhuis Utrecht voor het verwijderen van een TBC-tumor in de linkerlong. Behalve de pijnen en angsten, de leukste tijd van mijn leven – voetballer – redacteur div. bladen  – lezen – in geringe mate kaarten-dammen-schaken met vader –pogingen tot  landschappen schilderen met olieverf of pastelkrijt – droeve en leuke gebeurtenissen en gedachten van me afschrijven – JVO – stukjes schrijven – jeugdleider buurt (6-12 jarigen), jongerenleider stad(12-30 jarigen) – organisator vlieger- en schaatswedstrijden buurt en stad - ,  vijf bergen beklimmen in Oostenrijk en Italië. enz.. enz.

Na het verlaten van de boekbinderij moest ik om te kunnen leven een uitkering krijgen. Daarvoor ging ik naar het arbeidsbureau aan de Utrechtsenstraat. Daar stonden bedrijven ingeschreven die arbeidskrachten zochten. Je kreeg een kaart om één zo’n bedrijf te bezoeken om te zien of daar je verdere arbeidzame leven lag. De eerste kaart die ik kreeg was voor de steenkolenhandel Attenveld aan de Walstraat binnenstad. Er was geen deur, maar een open poort waardoor een vrachtwagen kon rijden. De wanden van de ruimte waren oorspronkelijk wit geweest, maar nu zwart van de kolenstof. In de muur was een gat gehakt waarin een piepklein loketje paste. Daarachter zat achter glas een meisje wat haar tegen die stof moest beschermen. Dat meisje moest de handel betalen of voor ontvangst opschrijven en daarvoor een getekend bonnetje afgeven. Die taak lag dus voor mij in het verschiet. Aan mijn nooit niet.
Na één of twee weken terug naar het arbeidsbureau voor een kaart met een nieuwe baan waarvoor men een arbeider zocht. Kortom: ik kwam zo vaak terug, dat mij werd gevraagd of ik daar eigenlijk kwam voor een pistool om bazen dood te schieten.
Het voordeel van deze wijze van een passende baan zoeken, was dat je voorlopig niet werd gedwongen te werken voor de “Arbeidsinzet” in Duitsland. Het arbeidsbureau verhuisde naar het hoekpand van de Parkstraat Eusebiusbuitensingel. Alle ambtenaren daar hadden een NSB-speldje op om te tonen dat ze uit levensovertuiging in dienst van de Duitsers werkten. Op de directeur Joop Meerdink na. Die was vóór de Duitse bezetting voorzitter geweest van de Algemene Arbeiders Jeugdcentrale (AJC) van de SDAP (nu PvdA). Zijn ervaring kon blijkbaar niet worden gemist op dat bureau. Ik was voorzitter van de Arnhemse afdeling van de politiek neutrale Jeugdbond Voor Onthouding (JVO) jeugdafdeling van de Nederlandse Geheel Onthouders Bond (400.000 leden), dat onderdak bood aan de leden van de verboden AJC).

Hij voerde met mij daar gesprekken over de toekomst van de beide jeugdbewegingen. Ik denk dat ik aan hem had te danken dat hij mij voor die arbeidsinzet vrijwaarde door dat zoeken naar een baan eindeloos te rekken. Hij organiseerde daar de bijeenkomsten voor de jonge werkzoekenden om van hen te horen wat voor een vak zij wilden gaan beoefenen, metselaar of timmerman. Ik had van beide geen voorstelling, maar metselaar zijn leek mij misschien te doen. In een klasje van vijftien jongens moesten rekensommetjes en proeven van taal opgelost worden. Aan de hand van de ingeleverde oplossingen werden adviezen gegeven voor het ene of het andere vak. Ik had volgens Joop Meerdink dat formulier zo kundig ingevuld dat hij mij adviseerde maar timmerman worden. Dat zou een vak zijn van hogere orde, waarmee je meer geld verdiende.
Aan de Dr J.C. Lelyweg tegenover de witte prijzenhal was een stuk grond en een werkplaats ingericht waar je de lessen kon volgen. De omgang met mijn leraren en lotgenoten was reuze. Ik hield dat negen maanden vol, totdat de leraren inzagen dat timmerman niet mijn beroep zou worden. Ook niet metselaar. Ik werd daar in toenemende mate misselijk, en dat was niet alleen van de stank van het witte rookwolkje dat werd uitgestoten door de ernaast gelegen Bilitonfabriek. Einde leerling timmerman. Opnieuw hopeloos en angstig zoeken naar een voor mij geschikt vak en plezierige baan.

Ik reageerde op advertenties van bedrijven die werknemers zochten. Vergeefs. Niemand wilde mij hebben en ik die bazen niet, Want ik wist zeker dat zij ook mijn onkunde snel zouden zien. Ik ging naar een psycholoog die voor mij moest uitzoeken waarvoor ik wel geschikt zou zijn. Hij vroeg waarmee ik mij in mijn vrije tijd bezig hield. Als ik zei: schetsjes en schilderijtjes maken, dan zei hij dat ik dat moest doen. Als ik zei: stukjes schrijven, dan moest ik dat doen; in bomen klimmen: hovenier worden. Voetballen: daar reageerde hij niet op. Enz. enz. enz. Daar schoot ik dus niks mee op.
Ik had niet gezegd dat ik zwerver wilde worden om de wereld te zien. Ome Barend, één van de broers van mijn moeder, was zwerver. Hij dronk erg veel en verdiende geld als oppasser van de ene parkeerplaats naar de andere tot in Duitsland toe. Eén familielid had hem ontdekt. Toen zijn moeder, mijn opoe, in aanwezigheid van de andere familieleden en bekenden overleed en werd begraven, sprong hij huilend in het graf en verdween weer. Tot ik tijdens het in het weekend gehouden landelijk Paasjeugdcongres van de Adventkerk in het Utrechtse  houten Tivoligebouw, in de krant las dat een zwerver in de gracht aan de Catharijnensingel in Utrecht was gevallen en daarin was verdronken. Ik moest een slaapplek zoeken voor enige jeugdleden en ging met hen naar Ome Free en Tante Ida in Bunnik. Daar hoorde ik dat Ome Barend op de weg naar hen verdronken was. Heb dus mijn idool nooit gezien, wat mij vreselijk spijt.

Toen iemand mijn pogingen om passend werk te vinden vernam, zei hij: “Wat zal jij een hoop ervaring hebben!”. “Nou, zeg dat wel”, was mijn antwoord. Na mijn dood zullen mijn kinderen onder mijn bed schriftjes en agenda’s vinden waarin deze dingen uitgebreider staan beschreven. De container voor oud papier staat vlak bij.
Mocht ergens mij een functie als voorzitter, secretaris of organisator zijn toebedeeld, dan was dat omdat anderen er geen zin in hadden en ik nooit nee durfde zeggen.
Ik weet dat ik van nature een misantroop ben, een mens die zich mislukt voelt. Waarom ik bij of na elke mislukking zo vaak moest lachen en blij zijn, is voor mij zelf een raadsel. Toen mijn jeugdclub op een avond een voorstelling van liedjes, toneelstukjes en kunstjes in het wrakke clubhuis voor de buurtgenoten gaf, sloot ik opgelucht af. Toen stapte juffrouw Freriks, de moeder van een paar kinderen, het podium op en deed namens de ouders een dankwoordje waarbij zij mij een kleurenvulpotlood van 35 cent overhandigde. Ik holde daarna naar mijn huis en knielde huilend voor mijn bed. Sentimenteel hè.

Op naar Terugblik 9 Levensloop 23-26 jaar




dinsdag 28 mei 2019

Terugblik 5 levensloop 12-14 jaar

Bres                          Levensloop 5 (12-14 jaar – 1937-1939)
Behalve de kleuterschool is de Lagere School de enige schoolse opleiding die ik heb genoten. Het was geen onverdeeld genoegen voortdurend de andere leerlingen als  intelligenter te beschouwen. Maar toen ik in de zesde klas was blijven zitten, mede dankzij mijn super brutale maat, begon pas een veel grotere vrees mij te besluipen. Ik moest langzamerhand een grote beslissing nemen. Als je 14 jaar werd móést je van de Lagere School af en een hele grote beslissing nemen voor je toekomst. Had ik hersens genoeg om naar het Uitgebreid Lager Onderwijs (ULO) te gaan en mijn ouders daarvoor geld voldoende of moest ik bij een baas, slager, smid, bakker, of zo, gaan werken om zo een vak te leren. De Vijverschool had geen zevende klas. Dus toen ik eindelijk van de zesde klas naar de zevende klas ging,verhuisde ik met de anderen die overgingen, naar de zevende klas van de Kambergschool aan de Agnietenstraat, midden in de volkswijk Klarendal. Iemand met een vak is altijd onder dak, luidde het gezegde. Dat ik geen hersens genoeg had om door te leren was voor mij zo klaar als een klontje, maar hoe ik ook prakkiseerde: ik kon ook geen vak wat mijn beroep zou worden, bedenken dat ik zou willen en kunnen leren.
Met de aanvang van die gedachten moest ik de hobbel van de zevende klas gelukkig nog nemen. Maar de tijd voor die moeilijke beslissing doemde vaker als een schrikbeeld op.
Zaten op de Vijverschool twee meisjes op de bank links vooraan Fietje van Elst en Zetta Harvon met wie wij het meeste contact hadden, op de bank links vooraan in de klas op de Kambergschool waren dat toevallig ook links vooraan Miep Gerritsen en Coosje Willemsen. Japie en ik zaten ook weer rechts vertrouwd achteraan. Nieuwe flirtages ontstonden al gauw weer op dezelfde wijze als met Fietje en Zetta, meisjes van onze wijk Plattenburg. (De laatste was een Jodinnetje. Ze kwam na de oorlog niet terug…..). De meeste jongens bleken, gehoord de praatjes in het speelkwartier, nu in de fase van hun leeftijd te zijn die ze adolescentie of puberteit noemen, dez overgang naar volwassenheid. Japie en ik werden preuts gevonden. Mogelijk dankten wij dat aan onze omgang met de twee meisjes bij het uitgaan van de school. Wij liepen ook met hen een eindje op. Miep woonde in de Manegestraat aan het eind van de Spoorwegstraat, Coosje was de dochter van de baas en bazin van de groentezaak aan de Hommelseweg bij de Dalweg. Jaap en ik kwamen als wij ze weg brachten ooit tot hun huis. Het was onnozel gedoe; vlak gepraat wat toch een licht gevoel van trots gaf. Wij hadden immers elk een meisje.
Ik was hen toen ik na vijf jaar van school af was, al bijna vergeten, totdat ik Miep met een jongen omstrengeld in een portiek aan de Rijnkade zag staan. Dat was een licht pijnlijk afscheid van een aanbedene. Niettemin noemde ik het jonge katje was ik van Japie kreeg “Miepsie” en alle vijftien poezen die ik daarna successievelijk kreeg Mespie 1, Miepsie 2, enzovoort. Nu ik 94 jaar ben heb ik Miepsie 16. Het is een cyperse, een rode. De eerste Miepsie was zwart en had een wit befje, witte voetjes en een wit puntje aan de staart. Wij kregen wat later daarbij een kleine halfbakken labradorhondje met op dezelfde witte plekken op de zwarte vacht, die Jopie moest heten. Waarom, dat kan je in een ander blogje lezen. Ook hoeveel mijn ouders en ik genoten van hun omgang met elkaar en ons. Mijn zus was inmiddels als au per (kinderverzorgster in Engeland) uit huis. Er zijn meer huisdieren in ons land dan mensen. En dat heeft zijn oorzaken die jijzelf mag bedennken.

In de laatste maand van mijn schooltijd gebeurde iets merkwaardigs. De bovenmeester vroeg mij de komende ouderavond te openen. Ik schrok vreselijk en  kwelde mij met de vraag: WAAROM JUIST IK EN NIET EEN VAN DE ANDERE VEEL KNAPPERE LEERLINGEN! Hoe ik mij daaruit redde, weet ik nog steeds niet. Ook niet wie hij wel of niet voor die opening vond. Die toch wel een goede verschijning, lef en geheugen had en van de tongriem gesneden moest zijn, die ik totaal niet had.

Het wordt tijd dat ik de meest turbulente tijd, die van mijn 14e tot mijn 20e jaar ga proberen te beschrijven, met wat vrees voor vervaging en onbewuste vervalsing van mijn geheugen.

dinsdag 21 mei 2019

Terugblik 7 Levensloop 14-23 jaar 1938-1947


Bres 
Terugblik 7 Levensloop 14-23 jaar 1938-1947

TEKORT GEDAAN
In mijn Terugblik 6 heb ik de boekbinderij, bazen, chef, ‘collega’s en mezelf tekort gedaan. Het was niet allemaal kommer en kwel. Juist in deze beroerde omstandigheden blonken de weinige grappige incidenten extra uit.
Heel opmerkelijk was de eerste dag op de werkplaats. Er kwam een jongen van de klas waarin ik had gezeten mij op de binderij opzoeken. Hij was gestuurd door bovenmeester Bijsterbosch, ex raadslid namens de SDAP (nu PvdA) met het dringende verzoek even met hem naar de school terug te komen. Bijsterbosh, zelf zeer streng maar rechtvaardig, had blijkbaar toch geen benul van de nog strengere discipline in het ook mij nog onbekende regels waaraan je je te houden had. De jongen ging onverrichterzake teleurgesteld terug. Mijn nieuwsgierigheid en lichte angst voor gedane kwajongensstreken dwong mij na werktijd bij de bovenmeester, die aan de Julianalaan woonde, langs te gaan. Na mijn aanbellen opende hij zelf de deur en stak direct toen hij mij zag, zijn hand naar mij uit en zei: “Piet, van harte gefeliciteerd, je hebt de eerste prijs gewonnen van de opstellenwedstrijd die voor alle Arnhemse scholen werd gehouden!”
Ik keek even vreemd op, want ik was helemaal vergeten dat onze klas had mee gedaan aan het schrijven van een verslag van de film “De Kleine Lord” die alle hoogste klassen in bioscoop Cinema aan de Bakkerstraat hadden bezocht. Na zijn felicitatie werd ik overdonderd door mijn vraag: “Was er heus geen beter verslag dan dat van mij, kneus!?” Mijn ouders, zusje en ik werden uitgenodigd de prijsuitreiking bij te wonen die ik de mooiste bioscoop van Arnhem, het Rembrandttheater aan de Steenstraat (te vergelijken met Tuschinsky in Amsterdam) werd gehouden.
De bioscoop was tot de laatste plaats bezet en ons gezin zat op de eerste rij. Mijn ouders hadden na vragen verklapt dat ik altijd een olieverfdoos had willen hebben. En die werd mij met een lovende toespraak van de voorzitter van de jury, de heer Baars,uitgereikt.
Mijn vreugde werd getemperd door het idee dat het een vergissing was en ik later voor schut zou staan. Want er moest een andere leerling op één van de scholen zijn die het absoluut beter kon. Terzijde: amateuristische landschapjes schilderen was geen vak waarmee je de kost kon verdienen, dus had ik een loopbaan in die richting nooit overwogen. Bovendien: elk schilderijtje wat ik probeerde te maken was een mislukking. Niettemin hing nou na elke verjaardag van de vierentwintig ooms en tantes zo’n schilderijtje bij hen thuis.
Toen de verftubes leeg waren ging ik portretten maken; soms moest het slachtoffer een uurtje stil zitten, soms gaven ze mij een foto van hun paspoort of rijbewijs en ging ik die vergroot uittekenen tot A-4 formaat. Daar kreeg ik een tientje voor. In mijn flat hangen drie tekeningen van mijn moeder en één van mijn vader. In mijn oude schetsboek staan nog enige getekende portretten van mijn zuster en wat kennissen. Eén daarvan vind ik frappant. Die van Gijs Veenbrink, een wrede man, hij had als sport boksen. Handicapje: enigszins kromme benen. Als de chef van de binderij even weg was, was hij zijn waarnemer. Hij en de chef en soms de zoon van de baas waren de enige die geen overall, maar een stofjas aan had. Hij was bokser en gaf je gemakkelijk een schop onder je achterste of een stomp op je rug. Ik was het meest zijn slachtoffer. Hij schold de oude collega Kemmink uit voor “ouwe”. Deze had een onnozel gezicht dat enige achterlijkheid toonde. Maar na een hatelijkheid van Gijs las hij eens uit een kinderboekje dat hij repareerde voor: “Gijsje was een beetje dom en ook een beetje krom”. Daar ad Gijs niet van terug. Hij glim-, liever gezegd grimlachte toen een beetje.

Ik beloofde mezelf “Terugblik 7, mijn jaren tussen 14 en 23", sterk in te korten om het voor de lezer, indien hij bestaat, behapbaar te maken. Maar al schrijvende kom ik niet onder de andere belevenissen uit die tijd uit. Kijk dus maar naar Terugblik 8 of lees mijn boek “Van Huis en Haard verdreven”.






maandag 20 mei 2019

Terugblik 6 levensloop 14-16 jaar l.l.boekbinder


Bres    TERUGBLIK 6 Levensloop 14-16 jaar l.l. boekbinder

Ik wou dat ik dit gedeelte kon overslaan. Maar het behoort nou eenmaal tot mijn favoriete maandelijkse nachtmerries. Ik heb daar de betekenis van het woordje hel ontdekt.
Op mijn verjaardag kreeg ik van mijn ouders een nieuwe fiets, gekocht bij fietshandel De Roemer Velp. Natuurlijk met het oog op mijn komende glanzende carrière. De chef van de werkplaats daar was de joviale  Klaas Boes, die ook als taak had elke week de afbetaling bij ons thuis op te halen. Tot nog toe had ik met vreze op oude wrakken fietsen geleerd. Het laatste vehikel was een van Duitse vehikel met een ontzaglijk groot kamrad, zodanig dat je met één trap de hele straat uit was. Ik had hem op eveneens op afbetaling gekocht van de buurjongen Wichart Bosveld voor een dubbeltje per week. Zo reed ik in de richting van een hoge stoep voor de oude van dagenhuisjes tegenover ons. Er was natuurlijk geen remmen aan. Met een fraaie boog belandde ik de voortuin van de bewoner. De kwetsuren die ik bij deze en andere oefeningen op liep vallen niet te tellen. Het was met mijn moeder op en neer lopen naar de nonnetjes in de Römerse laan die verbanden legden en pleisters plakten en met een ferme ruk de volgende keer er af trokken.
Zo reed ik met gierende zenuwen op die mooie fiets over de fietsonvriendelijke bolle keien, die ze kinderkopjes noemden, langs de grote kerk over de Damstraat, de Turfstraat en de Oeverstraat om bij de kantoorboekwinkel van Van Daal tegenover de Vossenstraat te stoppen. Er stonden al een paar mannen voor de vensterbank te wachten tot de dubbele poortdeur ernaast geopend zou worden. Toen dat geschiedde, liep ik met hen langs de muur rechts die de scheiding maakte met Drukkerij Coers en Roest, en links het kantoor. Daar de hoek links om en vijf meter verder was de deur naar de binderij, alles een oud houten gevalletje. Laat ik niet vergeten dat aan de rechtse muur een klein hokje stond waarin een plank met een gat erin was en als je daarop plaats nam hing je met je neus boven de geel uitgeslagen stinkende plasbak. Daar achter was een wankel eensteens muurtje waar je héél voorzichtig je fiets tegenaan mocht plaatsen. Met een stoel ervoor en achter werden de katerns van de door Coers en Roest gedrukte adresboeken aan de binderij overgedragen die er boeken van maakte. Dat dat fragiele muurtje het enige was dat de oorlog overleefde, kan je in mijn boek “Van Huis en Haard verdreven” lezen.
De entree van de binderij kenmerkte zich met links een klein overdadig stoffig kantoortje en rechts de levensgevaarlijke elektrische snijmachine. In de krant had ik gelezen dat iemand zijn hoofd onder de pers stak om te zien of het papier er onder goed was aangesloten. Hij drukte daarbij per ongeluk op een knop die met een zware slag in één klap het hoofd van de romp scheidde. Dat beloofde dus weinig goeds. Achter die machine waren aan de wand een aantal hokjes waarin je je overall die je gekocht had en andere spullen geborgen had en je nu moest aantrekken. Op de duur waren die door de onvermijdelijke plakmiddelen zo stijf als een plank. Verder stonden op de begane grond aldaar een linieermachine, die als hij goed door linieerder Kuijk was afgesteld, al hoog zoemend de A2-formaat boekhoudregisterpapieren langs de verschillende kleuren leidde. Ik mocht later die loodzware pakken papier op de mandfiets naar de Heidemaatschappoij aan de Apeldoornseweg brengen. Soms hielpen volwassenen mij de fiets als die omgevallen was, weer overeind zetten. En dan was daar een vouwmachine die o.a. de plattegrondtekeningen met de straten van Arnhem en omgeving tot het formaat vouwde dat geschikt was om in het adresboek te steken. Het apparaat van 3 x 4 meter maakte zo’n herrie, dat wij op de eerste verdieping (eigenlijk verhoging) waar het eigenlijke bindwerk geschiedde, nauwelijks konden verstaan. Een houten versleten trap met een bocht erin bracht je naar de treurnis waar de zeer sombere, boos kijkende chef de tien boekbinders controleerde. Die stonden hoofdzakelijk, maar als het te eentonig was waren er ook hoge krukken zodat je het zittend kon doen.

Het lust mij niet die ruimte te beschrijven. Elke dag brak daar de hel los door ruzie met de chef of onder elkaar en…. met een twee jaar oudere medeleerling, Joop Beekhuizen. Wat ik ook probeerde, het was nooit goed genoeg en of het wel eens goed was, was het nooit snel genoeg. Door hen werd mij elke dag scherp voor gehouden dat ik het vak nooit zou leren. Logisch, ik was altijd onhandig geweest en hier openbaarde zich dat ten volle. Letterlijk alles viel mij uit de handen. Maar ik had met hulp van mijn vader een leerlingencontract getekend, waarin stond dat je vier jaar geen ontslag mocht nemen. Het ‘loon’ was 2 gulden en 40 cent per week. Ik was soms zo overstuur en bang, dat ik languit op de vloer ging liggen al roepend “Haal de dokter”. Ik at nauwelijks meer en werd veertien dagen in het ziekenhuis opgenomen om bijgevoerd te worden.

Ik durf het haast niet te zeggen, maar de inval van de Duitsers op 10 mei datzelfde jaar voelde ik als een  bevrijding. Ik hoefde die dag niet naar de boekbinderij. Maar een paar dagen daarna was het weer hetzelfde liedje. Wij moesten alleen eens met ze allen van de binderij en boekhandel in de kelder aan de straatkant. Door een klein raampje zagen wij de Duitse soldaten door de Weerdjesstraat langs de huizen lopen. Enigen met het hoofd in het verband. Plattenburgers kregen het bevel te evacueren naar de Sint Janskerkstraat, waar ons gezin in de woning van de postbode Van Megen werd opgenomen. Na drie dagen konden wij weer terug.
Alles leek hetzelfde te blijven. Alleen militairverkeer werd door Duitsers geleid. Wij gingen daar gewoon naar kijken.
Leerling boekbinders moesten een halve dag per week naar de even tot grafische school omgedoopte ambachtschool in Zutfen. Joop en ik van Van Daal, Cootje Willemsen van drukkerij/binderij Van der Wiel, Joop Smit van binderij Wülschleger en diens zoon gingen  vanaf het Velperplein met de bus van de Geldersche Tramwegen.
Wij aten ons broodje in het Volkskosthuis aan de markt aldaar. Toen wij hoorden dat wij extra lesgeld moesten betalen, zei ik tegen enkele jongens daar dat ik dat niet deed. Allen schaarden zich om ons tafeltje en luisterden mee. Zij beloofden ook niet te betalen. De week erop moesten ze dat van hun ouders wel doen. Ik stond alleen. Voorzitter Bom en secretaris Blankensein van de Grafische Bond kwamen naar de binderij en met hen, Van Daal, de chef en ik vond er een soort overleg plaats dat als doel had mij voor de binderij te behouden. De baas zou dan wel het lesgeld betalen. Ik zei dat ik het niet meer aan kon en ontslag nam.
Pas na ruim drie en een half jaar ellende vertrok ik daar, niet wetende wat verder te beginnen.