maandag 15 september 2014

LEVENSDRANG


MEE LEVEN

Piet Schreuder

Levenswil

Vandaag, 14 september 2014, werd in de rubriek Vroege Vogels van de VARA, de lof gezongen op de spin en zijn rag. Ook de predikant had de vorige dag al in het kinderhaal verteld van de wonderlijke schepping van het beestje en zijn rag.

Ik heb als kind eens een vlieg gevangen die me met zijn gezoem om mijn oren uit de concentratie haalde, en hem daarbij zo beschadigd dat hij maar moeizaam vooruit kroop op de vensterbank. Het was duidelijk: hij wilde, hoe ook, leven. Louter uit nieuwsgierigheid hoe groot die drang in hem was om het leven in hem te herstellen, trok ik hem de vleugels uit, maar hij liep nog. Toen trok ik zijn pootjes uit, en zie, het bolletje wat overbleef begon op en neer te wippen. Tenslotte hield dat wippen op en gooide ik het bolletje in de afvalbak. God vergeef me, in Jezus’ naam.

Overgevoelig?
Later zat ik een boek te lezen, toen ik gestoord werd door een luid gezoem van iets wat blijkbaar in grote nood verkeerde.
Zoeken, zoeken, zoeken. Totdat ik in een hoekje beneden mij een bromvlieg in een spinrag ontdekte. Het brommen van zo’n dikke vlieg kende ik, maar zo’n hard geluid had ik een vlieg nog nooit horen voortbrengen. Ik was er eerder bij dan de spin, die dacht een vette hap te hebben gevangen, en bevrijdde de in het web verstrikte vlieg, niet zonder moeite, en liet hem buiten vliegen in de hoop dat hij de laatste ragjes om zijn lichaam kon verwijderen. Ik was voor mijn gevoel die bromvlieg, net zoals ik elk van die vijf hondjes was die ik in mijn leven zag en hoorde overrijden en jankend zieltogen.
Noem het kinderachtig, overdreven, zelf medelijden of wat ook. Ik voel hun angst en pijn de rest van mijn leven nog.

Toen ik twintig jaar geleden, die daarvoor altijd eerst in een ouderlijk gezin had gewoond en daarna zelf een gezin stichtte, en  alleen in een tweekamerflatje kwam te wonen, zat ik op de bank het alleen zijn te verwerken, totdat een vlieg op mijn knie kwam zitten. Zo’n algemeen bevonden vieze vlieg. Ik deed geen moeite hem weg je jagen. Ik was niet meer zo alleen en was nieuwsgierig hoe hij zijn tijd doorbracht. Hij tilde een vleugel op en ging met een pootje de onderkant wassen. Eerst links en daarna rechts en zo nam hij meer plekjes van zijn lichaampje onderhanden. Wat een ijver! Gods schepping. Hij mocht mijn kamer rondvliegen. Ik zette na een tijdje de balkondeur open en daar vloog hij, mij achter latend met de vergeefse gedachte hoe het er op de beloofde nieuwe aarde uit zou zien. Zou daar ook een ecosysteem zijn waarbij de één de ander op eet om het algemene leven te verduurzamen? En wat betekent plaatsvervangend lijden?

Vast leggen
Wie lacht niet die de mens beziet? zei Vondel. Mijn ouders kwamen altijd thuis met verhalen over mensen en dieren die ze hadden ontmoet. Jongen, ouden, kleinen, groten, allen werden door hen aangesproken. De indrukken die ze opleverden en weergaven waren om te verbazen, te bewonderen, te lachen en heel vaak om met een medelijdend ach ach te laten volgen. Ze waren niet alleen een belangrijk luisterend oor, maar steeds tot hulp bereid. Of ik dat erfde of dat de omstandigheden mij ertoe dwongen, ik ging ook steeds meer de mensen en dieren in mijn omgeving zo bekijken. Daarbij had ik van jongs aan de behoefte om mijn leven schriftelijk bijna dagelijks vast te leggen. Op de Lagere School viel dat bij het opstelletjes maken al op. Ik kreeg zelfs prijsjes en later kolommetjes in kranten. Terwijl anderen de gaven hadden een vak te kunnen leren waarmee een boterham te verdienen viel om daarna een gezin te stichten, leek ik veroordeeld tot onbetaald schrijven, dat zich hoofdzakelijk bepaalde tot het beschrijven van de karakters van al die soorten mensen en dieren om me heen. Soms deed ik dat met plezier, maar vaak met pijn wegens het medelijden met hen. Dat was ook het geval bij het leiden van jeugd waartoe zij en hun ouders mij opriepen.

Bij een bezoek in het ziekenhuis aan een zieke geestverwante, zag en hoorde ik een andere vrouw op de zaal kreunen van ellende en pijn. Haar man zat machteloos naast haar. Iemand zag mij kijken en zei: “Je kunt niet het lijden van de hele wereld op je nek nemen”. Ik dacht: dat zou Jezus dus hebben gedaan. Mijn zoon, de meer geleerde van de familie, liet ik zoiets doorschemeren. Hij zei dat je je moest leren verharden om te kunnen leven. Tja, dus niet teveel denken aan je zieke relaties en de oorlogen en gevolgen daarvan die de wereld schokken….. Eerst jezelf lief hebben om daardoor anderen lief te kunnen hebben.

Kontact
De mens heeft vanaf het begin getracht met zijn schepper kontact te maken om Hem te leren kennen. Boeddhisten en Hindoes zien in alle levensvormen een aparte God. Prinses Irene praat met bomen alsof ze een ziel hebben. Ik heb me in Arnhem een kleine bekendheid verworven bij het herstel van een omgekapt bos, waardoor ze me “bomenpiet” noemden. De gemeente schonk mij zelfs een boom met mijn naam er voor.
Maar ik heb weinig verstand van bomen en was gewoon begeesterd van de sfeer die het bosje vlak bij mijn huis uitstraalde.
Het was lang geleden in Engelse landschapsstijl aangelegd en had zich verder zelf grillig gevormd met moerasje, mispelboom, broedplaatsen voor vele soorten vogels, de minder goed beschoeide vijver met hier en daar te stijle mosachtige gladde hellingen waar je gewaagd op fietste, een oude witte villa die o.a. als Esperantohuis dienst deed waar opleidingen in die taal Nederlanders en buitenlanders werd aangeboden. Ik  was daar kind aan huis omdat mijn ouders Esperanto spraken en het gebruik ervan wilden bevorderen. Ook ik leerde de taal en kon zo de buitenlandse studenten door het park rondleiden.
Maar de sfeer werd vooral bepaald door de hoge oude bomen, ook heel geschikt om als jeugdige je gewaagde klimkunsten in te beproeven. Kortom, een bos waar onze voorouders hadden gelopen en na mij anderen dezelfde sfeer daar zouden proeven.
Maar een boom, struik of wat voor plant ook een ziel toekennen, is mij niet gegeven. Ik moet dat soort onontbeerlijk leven dat ons leven in stand houdt aan een schepper danken.

Op mijn elfde kreeg ik van mijn klasgenootje Japie een poesje, die ik Miepsie noemde. Die kreeg twee jonkies, gijsje en witje, die ik geboren hielp worden. Die drie gaven ons gezin elke avond een voorstellingen, waarbij die van André van Duin volkomen in het niet vielen. Later voegde zich daarbij de half labrador met spitse snuur, Jopie. De beste vriend die ik zestien  jaar lang had. Ook, zoals Miepsie, met zwarte vacht, wit befje, witte voetjes en wit staartpuntje. Alle poezen die ik daarna kreeg droegen de naam Miepsie 2, 3, enzovoort. Momentel ligt een rood katje achter mijn computerscherm te mediteren, af en toe de muis verschuivend.
Hoe zou ik zonder hen gekund hebben. Al was het alleen door de kolommetjes die ik later over hen schreef en waarmee ik velen plezier bezorgde. Die beestjes toonden een aanhankelijkheid waar je verlegen van werd. Ze probeerden intens je te begrijpen bij vreugde en verdriet om het te delen of je te troosten, waartoe mening mens niet in staat is.

Boskap
Gisteren was even het belangrijkste bericht: de grootste en snelste ontbossing tot nu toe: die in Indonesië. Onvoorstelbare onbarmhar-tige cijfers. Wij kunnen voor onze zuurstof niet zonder bomen…
 
De natuur en het hele milieu verkwijnen momenteel en het klimaat wordt verstoord, tot schade van ons mensen en dieren die een onderdeel van die natuur zijn. Maar mijn inlevingsvermogen houdt hier op. Ik hoop slechts op een herstel in oude glorie, waar ik hier vergeefs naar streefde en mijn leven lang naar zal blijven streven.

Het leven en lijden van mens en dier zal mij echter nooit met rust laten. Moge de belofte van een nieuw soort leven, die voor mij nog theorie is, eens praktijk worden.