Dat hadden jullie niet gedacht hè, dat Piet, behalve zijn vader, moeder en zuster, nog een gezinslid heeft. Ik sta toch de laatste tijd een paar maal per week met mijn zwarte snoet tussen de plankjes van het hekje van de achtertuin te gluren. Hij ziet dat in gedachten natuurlijk. Ik kan makkelijk over dat hekje heen springen, maar deze keer kondig ik mijn komst liever met een zacht gejank aan. Piet doet de deur open en ik denk dat hij al weet wat er aan de hand is. Hij heft in elk geval zijn hoofd omhoog en ik zie hem snuiven. Met de staart tussen de benen maak ik vol schaamte dat ik weg kom.Ik kon het echt niet helpen. Als ik niet met hem of zijn vader, de grote baas, aan het riempje mee kan, dan maak ik zelf weleens een rondje om door bos of wijk Presikhaaf achter de spoordijk. En als ik dan langs de wei van Evers kom kan ik het niet nalaten om daar over het hek te springen om te zien of daar wat te beleven valt. En, ach ach, als ik daar zo’n koeienflats bespeur, moet ik er wel even met mijn rug doorheen rollen, de poten in de lucht. Maar zodra ik weer op mijn poten sta heb ik spijt, want ik weet hoe de leden van het gezin daarover denken. Dus als ik voor dat hek sta moet ik uitdrukkelijk toestemming hebben om in de tuin te komen. En ik zal je vertellen: dat is een zware gang. Ik schaam me kapot. Maar ja, het moet toch eens gebeuren. Dus keer ik na en paar minuten weer terug. En ja hoor: daar staat de tijl met water al klaar naast de paal van de waslijn. Ik ken dat. Ik blijf daar met mijn kop naar beneden voor staan wachten om de behandeling door Piet af te wachten.Het is even doorzetten. Ik geef het toe: het is mijn eigen schuld. Hij boent er lustig op los onder de kreten “bah, vieze hond, hoe kwam jij daar nou weer bij, stinkerd. Je weet dat je zo nooit naar binnen kunt. Het hele huis gaat naar je stinken. Zo, schud je nou maar eens uit”.Dat doe ik dan met alle genoegen, want al dat water op je lijf is ook niks. Natuurlijk zorg ik dat ik bij dat uitschudden niet in de buurt van een mens ben, anders heb je daarover weer dat gezeur. Hij droogt me gelukkig nog extra af met een handdoek, zodat ik aarzelend de keukendeur binnen stap.Tja, ik mag weer bij de familie horen. Piet zat op de WC, die naast de voordeur is, toen Gerritje van Leur en Bennie van de Heuvel met mij op de arm voor de voordeur stonden. Hij hoorde ze zeggen: Piet is een dierenliefhebber, dus zal hij hem best wel willen hebben. Die “hem” dat ben ik dan. Zij hadden mij uit een nest pas geboren hondjes bij Van Vlaanderen achter de Arnoudstraat mee gekregen en lopen met mij langs de deuren te leuren. Zij belden aan en Piet zijn vader doet open. Hij is wel wat jongens aan de deur gewend, want Piet is de jeugdleider van de wijk Plattenburg. Of hij dat diertje wilde hebben. Hij zei direct nee. Want al die zorg erbij kan ik absoluut niet hebben. Toen zetten die knaapjes mij toch voor alle zekerheid in de gang. Nou moet je weten dat ik een zwart kortharig zwart hondje ben, een kruising van het labradortype, maar dan niet met zo’n stompe, maar meer spitse neus en met toevallig een wit puntje op de staart, en hoe kan het, ook nog een wit befje en witte voetjes. Helaas kan ik nauwelijks op mijn pootjes staan, dus val ik direct in die gang om. En ja hoor, ik ben verkocht. Die vader van Piet kan dat niet aanzien dat ik daar op mijn zij lig te worstelen om rechtop te komen, en onder het uitroepen van een diep meelijdend och och kom ik in zijn armen terecht. Hoeveel moet ik daarvoor betalen, vraagt hij nog, want zo’n diertje kan niet voor niets zijn. De jongens gokken maar en zeggen: vijf gulden, meneer Schreuder. En, ja hoor, hij gaat niet handelen en afdingen. Hij overhandigt het geld en ik ben verkocht, letterlijk en figuurlijk. De jongens gniffelend gauw weg voordat hij zich bedenkt. Piet ziet me en ik zie hem denken: wat hebben ze mijn vader aangedaan. Maar ook hij sluit mij in zijn armen en zijn moeder en zuster kunnen mijn hulpeloosheid ook niet aanzien en leggen stille beloften af mij voor de rest van hun leven te verzorgen, al is het onder het herhalen van de woorden: hoe moet dat nou? Wordt vervolgd.
Vervolg
Bovenstaand ontdekte ik op mijn externe schijf. Het verscheen waarschijnlijk twintig jaar geleden in de Oostkoerier. Toen die werd opgeheven stelde ik voor Presikhaaf Wijknieuws het volgende kolommetje op. Het is een beetje dubbel op, denk ik. Maar ik wilde het op mijn website toch niet onvermeld laten. De laatste twee woorden geven mijn gevoelens weer na het verscheiden van die hond van ons, zoals meer die hebben.
Ieder zijn hond was en is de aardigste. Jopie was zestien jaar op Plattenburg-Presikhaaf de bekendste omdat hij met de kinderen op straat speelde.
Iemand zei: “Hoe
meer ik mijn buurman leer kennen, hoe
meer ik van mijn hond ga houden”.
Dat was niet de
bedoeling van mijn aanmoediging. Maar dat komt door Jopie die ik nog met zijn
spitse zwarte snuut door de spijlen van het tuinhekje zie loeren. Die
vijfendertig centimeter hoge zwart glanzende halve labrador met zijn witte punt
op de staart, zijn witte pootjes en befje.
Tot 1965 kon het
nog. Als hij niet op straat met de kinderen speelde dan liep hij op zijn eentje
de vaste route, die mijn vader of ik met hem dagelijks aflegde.
Schaapsdriftpoortje uit, langs de winkels van de Vrij Nederlandstraat, door het
Kernheimpoortje weer terug. Hij ging liever aan de band, want hij wist dat hij
zich niet altijd kon beheersen.
En dat was nou ook
het geval geweest. Daar stond hij voor het hekje zacht te janken, waar hij
anders met gemak overheen sprong. Ik opende de keukendeur, hief mijn hoofd
snuivend omhoog en weg was hij, met de staart tussen de poten, want een hond
kent ook schaamte. Hij was buiten de route geweest en had in de wei van Evers
door de koeienflats gerold. Ammonia is immers zo goed voor de hondenhuid.
Binnen vijf minuten
stond hij er alweer en liet ik meneer in de tuin waar hij nederig voor de teil
bleef staan. “Erin”, zei ik, en daar stond hij met trillende poten in het koude
water en boende ik hem. Als dank schudde hij zich uit en kon ík onder de kraan.
Na zestien jaar
hield ik nog veertien dagen elke keer het laatste stukje koekje van bij de thee
naast de stoel om weer te ontdekken dat hij er niet meer was, die rotzak.