NARDA
Piet
Ach ja, Narda. Hoe zouden
wij die kunnen vergeten? Haar komst op Plattenburg was geruisloos, in tegenstelling
tot die van haar broer Henk. Het was op een middag na schooltijd in 1937 dat ik
met een paar jongens krijtstrepen zat te trekken op de stoep langs het plantsoen
in het midden van de Maria van Gelrestraat, toen een voor ons nieuwe jongen de
straat in marcheerde alsof hij de baas van de buurt was. Hij liep stram, met
afgemeten pas, de armen wat gebogen als van een cowboy in een wildwestfilm. Hij
was lid van een gezin dat van de Geitenkamp kwam.
Wij trokken die krijtstrepen
waarschijnlijk om een hinkelbaan voor de meisjes te maken. Toen hij ons
passeerde gaf hij mij zonder aanleiding een harde klap in mijn gezicht. Wij
konden alleen maar verbaasd opkijken, want zin in vechten hadden wij op dat
moment niet. En als wij al eens een klap kregen dan was daar enige aanleiding
toe. Hij liep onverstoorbaar verder en verdween in de achterste van de drie
poortjes die naar de naar de achtertuinen leidden.
Na het avondeten voegde hij
zich bij ons op de zelfde plaats van die stoep. Wij dachten: dat wordt nooit
wat met hem. De jongens en meisjes van toen ongeveer twaalf jaar speelden gewoon
met elkaar. Soms met wat ruzie en stoeipartijen, maar nooit erg gewelddadig.
Hij wilde blijkbaar wel meedoen, maar dan als de grote leider van het
stelletje. De heerszucht straalde van zijn houding af. Totdat een deur achter
in de straat ter hoogte van de poort, waarin die jongen eerder was verdwenen, open
ging en een harde stem riep: “Henkie! Tuus kommen!”. Dat gebeurde regelmatig
door iedere moeder als zij het de tijd daarvoor vond. Dat was deze maal de
aanleiding voor de meisjes om terug te schreeuwen: “Henkie! Tuuskomme, boterham
met kojjen eten!”
Toen was die brutale jongen
opeens stil en gehoorzaam aan zijn moeder, want hij liep zwijgend naar huis. Daar
leek een ijzeren discipline te heersen. Vanaf de volgende dag waren hij en ik
voor jaren vrienden. Dat ging vanzelf. Wij gingen samen op zaterdagavonden naar
de stad, zoals bijna alle jongens. Op een avond mocht hij voor straf niet mee.
Nu hadden de huizen in het midden van de straat waar ik woonde, tuintjes en een
anderhalve meter afdak boven de deur. Met eerst de voet op het hekje, dan op
het vensterbankje van de WC, kwam je voor je slaapkamerraam uit, die ik altijd
op een kiertje had staan om binnen te komen als mijn vader de deur op slot had
gedaan. Henk had de pech dat het afdakje boven zijn deur hooguit veertig
centimeter breed was, dus moest ik hem meehelpen er af te komen. Op de
Velperweg zagen wij zijn vader achter ons aankomen. Ik weet niet meer hoe dat
is afgelopen.
Ach ja, Narda. Op een dag ging
de deur van het huis waar Henk woonde, open, en daar was ze. Hoogblond, netjes
gekleed, iets langer dan de andere meisjes en wat bedeesd, verkennend om zich
heen kijkend. Maar hoe beschrijf je knap? Een trek op haar gezicht als van een
fotomodel op een modeshow, maar dan niet aangeleerd, maar van nature. Ze kon er
echt niets aan doen dat ze zo keek en eruit zag. Maar ik weet zeker dat niemand
in onze wijk zoiets moois eerder had gezien. Zo mooi dat zelfs de brutaalste
jongen haar niet durfde benaderen. Ze sprak met een wat zachte, hese, lage
stem, en elke zin klonk verlegen en vragend, vol mededogen met de hele wereld.
Mocht zij al wereldwijs lijken, toch was zij bereid meer te leren. Maar zij
bleef door haar schoonheid wat afgezonderd van de anderen. Ze kreeg maar één
vriendin die al beschermer tegen alle kwaad op de wereld, van haar optrad:
Geesje, en dat was me er eentje. Die zat in de bank voor me in de klas. Als ik
mijn been uitstrekte en per ongeluk haar hak aanraakte, dan vloog haar vinger
de lucht in en riep ze: “Meester, Piet schopt me weer!” Dat gaf juist
aanleiding om het weer eens voorzichtig te proberen. Ik weet nog niet of ze het
meende als ze later heftig (of was dat schijn?) zei: “Jij hebt mijn hele leven
verpest!”. Dus daar had zij een goede aan.
Ach ja, Narda.
Ontzagwekkend. Voor mij niet minder, die toen door de meisjes werd bespot met
de naam “Snuutje kus-me-is”.
De vader van Henk en Narda
was een ex-koloniaal, die vaak Café Weijers op Schaapsdrift in dook en daar
zwaaiend weer uit kwam. Hij had daar in de Oost blijkbaar wat meegemaakt wat,
na terugkeer in het vaderland, nu een “trauma” genoemd wordt.
Op een late avond sprong hij
voor de trein. De enige die dat had gedaan in al die jaren dat ik daar woonde.
Het was een geweldige schok voor de buurt, en het was hét gesprek van de
volgende dag.
Om het te verwerken liep ik
de volgende dag de deur uit, en Narda kwam juist in haar eentje voorbij. Ik kon
er niet onder uit en liep met haar op. Bij het trapveldje, het intussen
zanderige geworden weitje van Evers, liepen we samen over het karrenpad, dat nu
de Ruitenberglaan heet. Aan de overzijde van de akker die ons van de spoorbaan
scheidde, had de vreselijke tragedie plaats gevonden. Ik brak van een
kastanjeboom een tak af, prachtige in de knop, en reikte die haar aan. Ze nam
die als vanzelf aan. Geen woord over de ellende die over haar moeder, Henk en
haar was overkomen. Geen gehuil of geklaag, precies zoals ze altijd was; rustig
en mooi, maar nu toegankelijk voor mij.
Ik woonde tweeëndertig jaar
in de Maria van Gelrestraat; toen na mijn trouwen, met mijn gezin dertig jaar
in de pas gebouwde wijk Presikhaaf, en nu door ziekten die mijn gezin ook niet
voorbij ging, weer aan de spoorbaan, nu in de Ernst Casimirlaan bij de
Esperantolaan. Ik kijk uit op het laatste stukje perron van het stationnetje
daar. Precies de plek waar de vader van Henk en Narda om het leven kwam. Ook nu
ik dit zit te schrijven. En om vergeefs woorden te zoeken om haar wezen recht
te doen. Ik hoorde van iemand dat ze tien jaar geleden was overleden. Ze was
getrouwd geweest en heeft haar leven, zoals de meeste van mijn leeftijdgenoten,
volbracht. Aan mij, overlevende, dus de taak om haar in herinnering te brengen.
Narda, het mooiste meisje wat Plattenburg ooit heeft gekend. Opdat wij niet
vergeten.
*De naam Narda is een
verkorte vorm van Bernarda of Leonarda.