Op woensdag 29 januari 2014 mocht ik jarig zijn. Bij de voorbereiding voor de viering daarvan overviel mij meer dan anders de gedachte dat het weleens de laatste keer kon zijn. Zoon Peter en dochter Seraja kwamen even op visite. Op Sabbat 1 februari trakteerde ik na dienst op gebak, waarvoor ik vijf taarten in de fietstas had meegenomen. De diaconesse, bijna naamgenoot Petra, overhandigde mij het dure bloemstuk van het podium en allemaal zongen zij mij het “lang zal die leven” toe. Daarna feliciteerde ik de gemeente met haar eveneens 89-jarig bestaan omdat mijn vader deze gemeente in mijn geboortejaar had opgericht.
Ruim van tevoren had ik een lange tafel voor de vijftien familieleden bij het Valkrestaurant De Cantharel besteld en zondag 2 februari om half twee konden alle genodigden een maaltijd met toebehoren à la carte bestellen. Dat bestellen en uitnodigen had mij de nodige kopzorgen bezorgd door miscommunicaties. Maar Rob deed daar, zoals met meer dingen, zeer luchtig over. Ik moet nog steeds leren dat veel “vanzelf” wel in orde komt en ik ook wat aan de anderen moet overlaten. Zoon Rob had vanuit zijn huis in Emmerik komende eerst dochter Nathalie van zoon Bert en haar partner opgehaald. Daarna was hij met hen naar moeder Gerda en Seraja gegaan om Gerda, die dement is en door dochter Seraja met heel veel liefde en trots wordt verzorgd, op de voorbank van haar auto te helpen zetten. Seraja weet precies hoe de rolstoel in de achterbak geplaatst geplaatst kan worden. Toen kwamen ze met hun auto’s bij mij voorrijden en stapte ik bij ma en Seraja in de wagen. Vorig jaar hadden we de route volgens de tomtom over de weg naar Apeldoorn gevolgd tot Ugchelen en dezelfde weg in het donker afgelegd. Daarom had ik gevraagd om 13.00 uur bij de receptie te verzamelen, wetende dat het altijd een beetje uitliep. Maar vooral omdat ik dacht dat het voor de kleintjes (ze zijn tussen de vier en tien jaar) beter was niet te laat thuis te komen. (En een heel klein beetje voor mij om 19.00 uur de samenvattingen van de voetbalwedstrijden te zien). Maar vooral omdat ik de weg zou wijzen die wij vele jaren langs Hoenderloo waren gegaan. Het was schitterend weer met een strakblauwe lucht.
Ik was verwonderd dat Seraja haar ogen uitkeek over het Veluwse landschap. Want ik had gedacht dat zij bij al die feestelijke dagen die route naar De Cantharel had mee gereden. Zij was echter een paar jaar later geboren dan jongste zoon Jisvi en had die weg nog niet bewust beleefd. Via de Deelense weg en de Oost Vrijlandweg langs de uitgestrekte velden waar ik tot haar verbazing jarenlang voor boer Van Roekel mais had geplukt, op de knieën aardappels gerooid en voor meerdere boeren op voorheen het grootste militaire vliegveld ter wereld achter de dorsmachine had gewerkt. De witte boerderij op Het Kopje van Deelen stond er nog net zo. Een licht gevoel van spijt kwam over mij, omdat wij daar niet even aandeden om één van die elf zonen van Van Roekel met zijn vrouw te begroeten. Langs het Deeler Woud kwamen we tenslotte bij de eerste huizen en restaurants van Hoenderloo, ook wel het Lloret de Mar van de Veluwe genoemd. En ik maar vertellen dat tot mijn grote verrassing jaren later vrouw van Roekel bij mij de drukkerij binnenstapte om de bruiloftskaarten voor het veertigjarig huwelijk met haar man te laten drukken. Ook ik werd uitgenodigd en in het restaurant waar het feest werd gehouden, werd ik als een verloren zoon door het echtpaar, de zonen en de vaste knecht ontvangen.
Ze herinnerden nog de capriolen die ik tijdens de pauzen van het werk had uitgehaald met mijn evenwichtskunsten: een fiets op de kin of een lange bezem met een kat er boven op. Ook had ik ze jiu jitsu geleerd, die ik zelf maar uit een boekje had. Wij reden langs het voetbalveld, waar het Nederlands elftal vaak geoefend had. In de bocht stond de winkel De Warme Bakker nog, waar de vorige keer de W was afgevallen. Ik vertelde van IJszaak nummer 1 van Nederland tegenover de muziektent, waar we met de Seniorenfietstochten als verste punt kwamen om over de weg terug te rijden die wij zojuist hadden afgelegd. Seraja reed keurig de door mij verder aangewezen weg, waarvan ik de bijzondere plekjes tevoren aankondigde als een volleerde gids. Op de parkeerplaats stonden honderden auto’s. Wij zouden dus niet de enigen zijn die in de zaal “Bruggelen” een maaltijd zouden genieten. In de andere, grotere en gezelliger zaal werd de laatste jaren tot 16.00 uur de brunch geserveerd. Daar hing voorheen de sfeer van hout. De laag hangende lampionnen met door de hitte van kaarsen aangetaste perkamenten kanten, waren vervangen door wat modernere lampen onder een betonachtig plafond. Toch was er nog wat van de vroegere sfeer over, die wij daar sinds de komst van de Cantharel hadden meegemaakt.
Nathalie zei opeens: “Kijk, oma lacht!” Ik had tevoren gezegd dat het mogelijk was dat Gerda de sfeer daar als vertrouwd met mooie herinneringen, zou kunnen aanvoelen. Zij werd door Seraja deskundig gevoed. Ieder deed grootst over zijn en haar gekozen gerecht met voorafjes en toetjes. Na twee uur overzag ik het zaakje en stelde vast dat iedereen gezellig zat te praten achter lege borden en vroeg ik oudste zoon Bert mee te gaan bij het helpen afrekenen. Dat kom ik wel te boven. De familieband behouden was hun geschenk aan mij, zo had ik tevoren gezegd. Toch waren er nog wat leuke extra cadeaus.
Dankbare pa en over- en overgrootpa Piet
Ruim van tevoren had ik een lange tafel voor de vijftien familieleden bij het Valkrestaurant De Cantharel besteld en zondag 2 februari om half twee konden alle genodigden een maaltijd met toebehoren à la carte bestellen. Dat bestellen en uitnodigen had mij de nodige kopzorgen bezorgd door miscommunicaties. Maar Rob deed daar, zoals met meer dingen, zeer luchtig over. Ik moet nog steeds leren dat veel “vanzelf” wel in orde komt en ik ook wat aan de anderen moet overlaten. Zoon Rob had vanuit zijn huis in Emmerik komende eerst dochter Nathalie van zoon Bert en haar partner opgehaald. Daarna was hij met hen naar moeder Gerda en Seraja gegaan om Gerda, die dement is en door dochter Seraja met heel veel liefde en trots wordt verzorgd, op de voorbank van haar auto te helpen zetten. Seraja weet precies hoe de rolstoel in de achterbak geplaatst geplaatst kan worden. Toen kwamen ze met hun auto’s bij mij voorrijden en stapte ik bij ma en Seraja in de wagen. Vorig jaar hadden we de route volgens de tomtom over de weg naar Apeldoorn gevolgd tot Ugchelen en dezelfde weg in het donker afgelegd. Daarom had ik gevraagd om 13.00 uur bij de receptie te verzamelen, wetende dat het altijd een beetje uitliep. Maar vooral omdat ik dacht dat het voor de kleintjes (ze zijn tussen de vier en tien jaar) beter was niet te laat thuis te komen. (En een heel klein beetje voor mij om 19.00 uur de samenvattingen van de voetbalwedstrijden te zien). Maar vooral omdat ik de weg zou wijzen die wij vele jaren langs Hoenderloo waren gegaan. Het was schitterend weer met een strakblauwe lucht.
Ik was verwonderd dat Seraja haar ogen uitkeek over het Veluwse landschap. Want ik had gedacht dat zij bij al die feestelijke dagen die route naar De Cantharel had mee gereden. Zij was echter een paar jaar later geboren dan jongste zoon Jisvi en had die weg nog niet bewust beleefd. Via de Deelense weg en de Oost Vrijlandweg langs de uitgestrekte velden waar ik tot haar verbazing jarenlang voor boer Van Roekel mais had geplukt, op de knieën aardappels gerooid en voor meerdere boeren op voorheen het grootste militaire vliegveld ter wereld achter de dorsmachine had gewerkt. De witte boerderij op Het Kopje van Deelen stond er nog net zo. Een licht gevoel van spijt kwam over mij, omdat wij daar niet even aandeden om één van die elf zonen van Van Roekel met zijn vrouw te begroeten. Langs het Deeler Woud kwamen we tenslotte bij de eerste huizen en restaurants van Hoenderloo, ook wel het Lloret de Mar van de Veluwe genoemd. En ik maar vertellen dat tot mijn grote verrassing jaren later vrouw van Roekel bij mij de drukkerij binnenstapte om de bruiloftskaarten voor het veertigjarig huwelijk met haar man te laten drukken. Ook ik werd uitgenodigd en in het restaurant waar het feest werd gehouden, werd ik als een verloren zoon door het echtpaar, de zonen en de vaste knecht ontvangen.
Ze herinnerden nog de capriolen die ik tijdens de pauzen van het werk had uitgehaald met mijn evenwichtskunsten: een fiets op de kin of een lange bezem met een kat er boven op. Ook had ik ze jiu jitsu geleerd, die ik zelf maar uit een boekje had. Wij reden langs het voetbalveld, waar het Nederlands elftal vaak geoefend had. In de bocht stond de winkel De Warme Bakker nog, waar de vorige keer de W was afgevallen. Ik vertelde van IJszaak nummer 1 van Nederland tegenover de muziektent, waar we met de Seniorenfietstochten als verste punt kwamen om over de weg terug te rijden die wij zojuist hadden afgelegd. Seraja reed keurig de door mij verder aangewezen weg, waarvan ik de bijzondere plekjes tevoren aankondigde als een volleerde gids. Op de parkeerplaats stonden honderden auto’s. Wij zouden dus niet de enigen zijn die in de zaal “Bruggelen” een maaltijd zouden genieten. In de andere, grotere en gezelliger zaal werd de laatste jaren tot 16.00 uur de brunch geserveerd. Daar hing voorheen de sfeer van hout. De laag hangende lampionnen met door de hitte van kaarsen aangetaste perkamenten kanten, waren vervangen door wat modernere lampen onder een betonachtig plafond. Toch was er nog wat van de vroegere sfeer over, die wij daar sinds de komst van de Cantharel hadden meegemaakt.
Nathalie zei opeens: “Kijk, oma lacht!” Ik had tevoren gezegd dat het mogelijk was dat Gerda de sfeer daar als vertrouwd met mooie herinneringen, zou kunnen aanvoelen. Zij werd door Seraja deskundig gevoed. Ieder deed grootst over zijn en haar gekozen gerecht met voorafjes en toetjes. Na twee uur overzag ik het zaakje en stelde vast dat iedereen gezellig zat te praten achter lege borden en vroeg ik oudste zoon Bert mee te gaan bij het helpen afrekenen. Dat kom ik wel te boven. De familieband behouden was hun geschenk aan mij, zo had ik tevoren gezegd. Toch waren er nog wat leuke extra cadeaus.
Dankbare pa en over- en overgrootpa Piet