dinsdag 2 april 2013

JAN BARTEN IS DOOD



Voor het geval u het nog niet wist: Jan Barten is niet meer. Ik had hem al een weekje in parkje Sacre Coeur gemist. Dus ging ik even bij Zorgcentrum Vreedenhoff vragen hoe het met hem was. Die is op 16 maart 2013 plotseling overleden, zei de baliemedewerkster, alsof het haar dagelijks werk was. Hij was 92 jaar geworden. Ik heb niet gevraagd of hem de laatste uren zwaar waren gevallen. Wist zij niet, en ik kan het hem ook niet meer vragen, hoe nieuwsgierig ik ook was. Want ik sta daar over niet te lange tijd ook voor en het stervensproces lijkt mij geen pretje. Hij deed daar zelf nooit moeilijk over. Hij grapte overal over, dus ook over het uitstrooien van zijn as. Het moet toch gebeuren, zei hij steeds opgewekt.

Hij was dat volslanke, guitige mannetje, met niet veel haar meer op zijn hoofd waarop vaak een klein hoedje prijkte. Als hij in zijn zilvergrijze scootmobiel met twee zijspiegels mij al eerder had zien aankomen eerdat ik hem even stil zag staan in ons parkje Sacre Coeur, dan begonnen wij een vrolijk praatje. Eén keer liep ik naast hem en had hij zijn snelheid aan mijn voetstappen aangepast. Wij deden wie de meeste plantennamen kende van die wij langs het voetpad en op het wateroppervlak van de drie vijvers zagen. Hij won het.

Eens voegde zich een man bij ons die mij bekend voorkwam. Voor de derde keer kreeg ik te horen dat hij de man was van de oud Plattenburgse Toos Wijss. Die was de moederlijke oudere zuster van Joop Wijss van de Schaapsdrift uit dat vierkante oude blok naast smid Woudt. Hij was de protegé van Teet Zeeland, de aanvoerder van straatvoetbalclub Houd Moedig Stand. Ik moest als aanvoerder van Door Vrienden Opgericht (Hoe verzin je het) elke avond tegen ze voetballen op het weitje van Evers, waarop geen grassprietje meer stond. Met Joop had ik op de fiets een Ardennentocht langs de jeugdherbergen gemaakt, tot in Clervaux, Luxemburg toe. Veel beleefd. Na afloop kon ik met losse handen de Hofflaan opfietsen.

Och, ik had het over Jan Barten en die man die bij ons kwam staan. Die zei opeens tegen hem: Was jij niet de badmeester van het sportfondsenbad aan de Boekhorsterstraat? Dat was hij. Na 65 of 70 jaar herkend. Gelukkig dat de man geen politieagent was.

Het ene verhaal maakt het andere los, alleen al door zulke ontmoetingen. Zij wisten nog dat Martin Beumer, die nog maar één long had, van de hoge balustrade dook en het langst onder water kon blijven. Ik ging er met de jongeren van de Adventkerk elke zondagmorgen van 8 tot 10 uur zwemmen, want dat was goedkoop. Martin ontmoette ik later in onze senioren fietstochten. Na te zijn uitgefietst fungeerde hij met zijn vrouw Marijke als stempelpost halverwege, waar de fietsers hun kaart bij hen lieten afstempelen. Vijf keer drie stempels gaf recht op een medaille.

De man van Toos, Jan Barten en ik zeiden tegen elkaar: als wij nog langer doorpraten hebben wij de halve Arnhemse bevolking wel gehad. Wie er wel en wie er niet bepaalde zaken in een badhokje lieten liggen, die hij moest schoonspuiten. Je raakt gewoon niet uitgepraat over ons verleden, of het niets dan lol was. Verdringingsmechanisme, of krijg je de doorgestane ellende vlak voor je dood nog op je bordje? Maar Jan wees steeds naar boven. Komt allemaal goed, zei hij in vertrouwen. Klagen was er niet bij. Ik ben jaloers op hem en betreur dat ik hem bij mijn ochtend- en middagwandelingetje niet meer in zijn scootmobieltje zie staan wachten om elkaar op te fleuren omdat de natuur hier mooier tot uitdrukking kwam dan in welk ander bosje ook. Mag ik zeggen: Jan, tot kijk! Of is dat melodramatisch? Heden ik, morgen gij, staat ergens geschreven.