Hierdoor betuig ik de ouders van Presikhaaf mijn hartelijke dank voor het redden van een ter dood veroordeelde Griekse jongen, die bezwaren had geuit tegen het doden van zijn naaste. De bewindvoerende Griekse kolonels en generaals waren toen geen lieverdjes.
De Raad van elf drukkerijen in het Spijkerkwartier hadden mij verzocht aldaar een drukkerijtje in te richten, niet groter dan een huiskamer, voor kleine oplagen.
Kersverse ouders van Presikhaaf lieten bij mij hun geboortekaartjes maken. Dat stelde mij in staat om eens een kijkje te gaan nemen in Palestina, waar Jezus had geleefd en voor mij het leven liet.
Het passagiersschip waarmee ik reisde legde aan bij Athene. Toen ik daar de stad had bekeken en naar het schip terugkeerde, moest ik door een brede haag van honderd in het wit geüniformeerde matrozen heen. Aan het eind van de kade reden dure auto’s af en aan die daar hooggeplaatsten brachten. Zij en een massa mensen waren in afwachting van de bevrijdingsheld van Cyprus, generaal Grivas, die met ons naar dat eiland zou reizen. Eindelijk kwam daar de laatste auto aan, waaruit een klein, kalend mannetje en zijn platinablonde echtgenote tevoorschijn kwam. Met hun gevolg liepen zij door de haag naar het schip. Daar begon de diepe bas van de stoomfluit oorverdovend te loeien als welkom. De aanwezige Cyprioten knielden voor hem neer. De dames zwaaiden met doeken en veegden zijn gezicht schoon van het roet die de fluit uitstootte.
Vervolgens deden wij Kreta aan. Daar ontving ik van een Kretense een prachtige bos exotische bloemen. Daarmee ging ik naar de kapitein en kreeg toestemming het echtpaar Grivas dat van zijn excursie terugkeerde, aan boord te verwelkomen. Ik reikte bij de toegang mevrouw Grivas het boeket over met een vriendelijk woordje namens de passagiers en vertelde daarna dat ik mij zorgen maakte over de ter dood veroordeelde jongen. Ik zei dat in Nederland sinds 1923 een wet bestond die het mogelijk maakte dergelijke jongens plaatsvervangende dienst te laten verrichten, waarvan ik gebruik had gemaakt.
Het echtpaar bedankte mij vriendelijk en hij zei dat hij zeker aandacht aan dit geval zou schenken. Op mijn weg naar het zonnedek kwam ik het paar voortdurend tegen en zij groetten mij dan joviaal. Op Cyprus verlieten zij het schip.
Terugkerend van Palestina bezocht ik de redactie van de krant in Nicosia. Daar vernam ik dat de veroordeling was omgezet tot drie-en-een-half jaar gevangenisstraf. Ongeveer dezelfde tijd dat ik in een werkkamp had doorgebracht.
Als dank help ik nu Presikhaaf te vrijwaren van de oprukkende dodelijke fijnstof.