maandag 18 maart 2013

ADVENTISTEN TOOGDAG 2013

TOOGDAG ADVENT 2013

De dag dat het sinds heugenis 24 uur achter elkaar regende
en een nieuwe paus werd gekozen


Aantallen
De vijfjaarlijkse toogdag van de Nederlandse Adventbeweging vond dit jaar op 9 maart plaats in de IJsselhallen te Zwolle. Wie, net als ik, een beetje belangstelling heeft voor aantallen: de daarvoor bestemde zaal was naar mijn schatting gevuld door ongeveer 3000 bezoekers, waarvan minstens de helft gekleurd was. In Arnhem, waar ik kerk, merk ik het verschil tussen donker en licht helemaal niet op. Maar hier denk je er toch meer aan waaruit het totaal aantal geestverwanten in Nederland bestaat. Als dat nu bijvoorbeeld uit 4000 mensen bestaat en daarvan meer dan de helft van buiten de Hollandse grens komt, dan zou je op minder dan 2000 oorspronkelijke Nederlandse Adventisten komen. Als er een groei in aantal zou zijn dan danken wij dat aan deze “instromers”. Die zijn dus wat dat betreft hartelijk welkom! Maar het zegt toch ook wat over de geringe invloed die de Nederlandse Adventisten op de oorspronkelijke bevolking heeft. En als ik de artikelen hierover lees, dan is dat in de meeste Westelijke landen, waaronder Europa, Noord Amerika en Australië worden gerekend, het geval, in tegenstelling tot landen in Azië, Afrika en Zuid Amerika.

En dat betreft niet alleen de Adventbeweging, maar alle Christelijke kerken. Dat geeft te denken. Maar, zoals vaak betoogd: het gaat niet in de eerste plaats om het aantal, maar om de kwaliteit, wat men daaronder ook verstaat. Opleiding, juiste kennis, geloof, begeestering enzovoort. Verstand en veel kennis garanderen trouwens geen wijsheid en nog minder inzicht in de christelijke beginselen en bijbeluitleg. Mensen met grote begaafdheid en helder verstand kunnen de lelijkste dingen bedenken en uitvoeren. De apostelen die Jezus als eerste volgelingen tot zich riep waren vissers, en men vermoedt dat die niet direct tot de schriftgeleerden behoorden. Maar met die start werd toch een grote massa mensen over de hele wereld tot het volgen van Christus’ voorbeeld bereid gevonden. Het zit hem dus in de aantrekkelijkheid. Vanaf het ons bekende begin van de mensheid zag men zich gesteld tegenover veel ellende, terwijl gesnakt werd naar geluk. Naast politieke en wijsgerige werden godsdienstige oplossingen aangeboden. En één daarvan was sinds de 18e eeuw het Adventisme: de verwachting dat Christus spoedig zou terugkeren om herstel naar dat geluk te bewerken.

Uitstraling
Een toogdag heeft als doel te bemoedigen in dat geloof doordat je merkt dat jij niet de enige bent die er zo over denkt. De donkerder gekleurde mensen uit andere delen van de wereld die zich nu hier bevinden, tonen dat zij niet alleen verheugd waren over de eerste beginselen van het christendom, maar vertrouwden ook volkomen op de uitleg die de brengers van die boodschap aan de Bijbel gaven als Gods Woord aan de mens. En dat waren heus niet alleen de Adventisten die hen overal het eerst bereikten.
Het christendom bleef velen houvast bieden. Als anderen ontdekten dat bepaalde uitleg van voorzeggingen in de Bijbel, later niet in overeenstemming met het alzo verwachte wereldgebeuren was, dan “schuurde” dat. Zoals in de eerste gemeenten in de Bijbel, ontstonden overal aparte groepen, die meenden een beter inzicht te hebben gekregen. Op de wereldconferentie van 1995 in Utrecht, kwam de president tot de conclusie dat we hebben te leven met “voortschrijdend inzicht” en “eenheid in verscheidenheid”. Die motto’s spreken voor zichzelf.
Het onloochenbare verschijnsel doet zich nu voor dat mensen die menen een beter inzicht in de uitleg van de Bijbel te hebben gekregen, liberaal genoemd worden, en degenen die zich aan de oude uitleg vastklampen “conservatief” of “behoudend”. Als je zegt dat de ander het niet bij het juiste eind heeft, dan zeg je tegelijk dat jij het wel goed hebt. Hier wordt dus een beroep op de verdraagzaamheid gedaan, die in de Bijbel voortdurend wordt aanbevolen. Je zou juist daarom zeggen: God en Jezus wisten heus wel dat ze met “mensen” te doen hadden die allemaal een andere achtergrond hebben in denken en doen.

Nu is de huidige president van de Adventgemeenschap duidelijk conservatief. Onder dat woord wordt in dit geval verstaan “behoudend aangaande de uitleg die de eerste Adventisten aan profetieën gaven”. In zijn toespraak op de toogdag hamerde hij er zelfs op dat men bij die oude uitleg moest blijven en zich niet moest laten beïnvloeden door geloofsgenoten die zogenaamde nieuwe bevindingen in de kennis van de geschiedenis en taalkunde meenden te hebben opgedaan. Het blijkt dat er over het algemeen in de eerder genoemde werelddelen een verschil van algemene ontwikkeling bestaat ondanks de inhaalslag die nu wordt gepleegd. Niet alleen wat goed en kwaad betreft, maar van onderscheiding op het gebied van voorlichting en verdieping in Bijbelse voorspellingen. Vele geestverwanten uit conservatief genoemde gebieden blijven het liefst bij de oude uitleg en op de toogdag was enige malen duidelijk hun bijval te horen als zij in de toespraak woorden hoorden die dat bevestigen. Dat hier sprake is van verschil in karakter door welke oorzaken in het verleden ook, lijkt mij zeker. Zij tonen met hun begeestering hoop en bemoediging in de verwachting van Jezus’ spoedige komst. De Adventbeweging ontleent tenslotte hieraan haar naam. Die hoorbare en vaak zichtbare uitingen van instemming kunnen een gunstige “uitstraling” hebben op degenen die zich beroepen op “een nuchtere godsdienst” die in de Bijbel ook wordt aanbevolen. De ene beleving kan de andere versterken. Deze zogenaamde pinksterachtige, charismatische demonstraties, kunnen spontaan zijn, maar helaas ook kunstmatig, aangeleerde tradities. Wij kunnen niets anders dan daarmee leven. Het is immers een feit. Vernieuwende Westerse liberalen zijn meer ingetogen.

Terwijl de vorige Nederlandse voorzitter, Br.Bruinsma op uitnodiging de wereld rondreisde om op Adventinstituten van het voortschrijdend inzicht te getuigen, reist nu Br.Wilson de wereld hem na om “terug naar af” te verkondigen. Dus zouden Adventisten weer meer Millerianen moeten worden, volgers van de stichters van de Adventbeweging, die trouwens niet de Sabbat onderhielden.

Niettemin
Om een toogdag te kunnen houden is veel organisatie nodig. Mensen die daarvoor aanleg hebben en zich daarvoor inzetten, zijn wij veel dank verschuldigd. Als gelovige zeg je de Bijbel na: “als de Heer het huis niet bouwt, vergeefs bouwen de bouwlieden eraan”. Die bouwlieden zijn noodzakelijk en kunnen niet anders dan met de nieuwste inzichten over de bouwkunde en het bouwmateriaal hun werk verrichten. Hoe conservatief wij op bepaalde zaken ook mogen zijn, in de Westerse wereld maken we steeds meer gebruik van de koelkast, radio, TV en verlichting. Waar zouden wij thans zijn zonder elektriciteit en die uitvindingen, waarop de hele wereld en ook de Adventbeweging blijkt te moeten draaien. Al strijd ik nog zo hard tegen milieuvervuiling, u en ik worden gedwongen mee te vervuilen. Dat is de nuchtere materiële kant van de zaak. Dat weerhoudt ons er echter niet van voorlichting te geven over een gelukkiger en schonere samenleving. En als wij de taak hebben die boodschap zoveel wij kunnen aan de wereld te brengen, dan moeten wij gebruik maken van die nieuwe middelen. En dat betreft ook de inhoud van de boodschap. De wetenschap over de Bijbel en de wereldhistorie heeft nooit stilgestaan. Die nieuwe inzichten dienen wij te gebruiken om de mens te overtuigen van de redelijkheid van Gods plan om zich met ons te verzoenen door het leven en sterven van Zijn Zoon en onze broeder Jezus Christus.

Het plan van onze president om een sterk beknopt deel van het standaardwerk van de benoemde Adventprofetes Ellen White “De Grote Strijd” aan alle inwoners van de aarde gratis uit te reiken, betekent voor het zelfdenkende deel van de Adventgemeenschap een onbegonnen, ondoordachte zaak waaraan veel geld van de gelovigen verspild wordt. Misleiding is een te sterke uitdrukking onder geestverwanten, maar moeten wij wachten op het tijdstip waarop wordt bekend gemaakt dat het plan van president Wilson volkomen mislukt is? De uitdrukking “de tegenwoordige waarheid” wordt niet meer gehoord.
Het is met economie, politiek en godsdienst over de hele wereld momenteel: “hoe verder?”. Of volgens oud premier Lubbers: “voorspellen is moeilijk, vooral waar het de toekomst betreft”.

Doel van de toogdag voorbij geschoten?
Een toogdag is een middel om de aanhangers van de Adventistische opvattingen in hun geloof te bemoedigen en te versterken.
Er was bereidwilligheid en de kunde voldoende om de toogdag te organiseren. Op het programma, zou je, inbegrepen de toespraak die Wilson hield, het één en ander kunnen aanmerken, hoewel dat niet aardig lijkt. Ik werd na binnenkomst door een Arnhemse zuster weliswaar naar een stoel op de eerste rij geloodst, maar die was uiterst rechts. En misschien kwam het door de opstelling van de luidspreker, of omdat toevallig op het podium aan die zijde het vijfmans bandje zat dat de drie tussen de bedrijven door zingende zusjes begeleidde, maar ik heb nog niet het overheersende knetterende geluid van de piano uit mijn oren kunnen verwijderen. De pianist wist waar de pedalen zaten en drukte die bij elk optreden diep in en niet om ze bij begeleiding te dempen. Het zal aan mijn leeftijd liggen dat alle liedjes mij niet lagen en het langdurig staan bij de gebeden en de samenzang mijn uiterste inspanning vroegen.

Er werd door een semi-onderzoeker met een scherm op het podium vermeld hoeveel tijd tegenwoordig Adventisten over het algemeen aan bijvoorbeeld het Bijbellezen en het gebed besteden. Dat viel dus wat tegen. Toen werd gevraagd of degenen wilden opstaan die tussen de 40 en 65 jaar waren. Dat waren de meesten. De presentator concludeerde hier verheugd uit dat de Adventgemeente een “jonge gemeente” is. Als die methode al niet bedenkelijk was, vroeg hij ook nog of de predikanten wilden opstaan. Naar ik meen stonden er toen hooguit 15 mensen op. Ouderlingen waren nog minder aanwezig. Ik zat te wachten op het verzoek aan de mensen boven de 80 om op te staan. Wat ik vooral mis is het onderzoek naar het aantal bezoekers/leden in de leeftijd tussen de 15 en 30 jaar. Jammer of gelukkig kon niet worden gevraagd of de thuisblijvers zich even wilden melden….Als afsluiting van de bijeenkomst verschenen de kinderen die in een andere zaal waren bezig gehouden, op het podium. De ouders die tot voor het podium kwamen om hen op te halen toonden zich apentrotst, en dat was erg leuk. Het is maar goed dat zij niet beseften dat de ervaring leert dat minder dan 10% van die kinderen bij de gemeente blijft. Ik ben idealist, maar ook realist.
Wat de toekomst brenge moge, mij geleidt des Heren hand. Christus komt en Handelingen 2 betoogt: “Het komt u niet toe de tijden en gelegenheden te weten”. Laten we de overeenkomsten tussen de geloofsgenoten in het oog houden met liefde en verdraagzaamheid voor elkaar en voor iedereen.
Dat bemerkte ik gelukkig bij de ontmoeting met oude bekenden als Piet Tjalsma en Roelof Bijma. Naamgenoot Piet en ik zijn het in menig opzicht niet met elkaar eens, vooral niet op pacifistisch gebied. Hij is uiterst conservatief en ik, wat je noemt, liberaal, maar wij waren beiden voorstanders van vrije meningsuiting en zelfwerkzaamheid van jongeren op het gebied van geloofsbeleving, wat toen niet aangenaam door predikanten, ouderlingen en bestuursleden bevonden werd.
Roel vormt met mij “de laatste der Mohikanen” wat betreft de ZDAdventisten en ZDBaptisten in de dienstweigeraarkampen voor gewetensbezwaarden militaire dienst. Wij moesten met twaalf andere geloofsgenoten tussen anders gelovigen en humanisten gemiddeld 3 1/2 jaar zwaar werk verrichten, o.a. als oogst- en grondarbeider. En daar hebben wij geen spijt van. Integendeel. Onze broeders daar hebben nu het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld.
Zo zag en sprak ik op de toogdag tientallen oude bekenden en maakte ik kennis met andere en nieuwe geloofsgenoten. Vooral de ontmoeting met Br.Bruinsma, die bij Br.Wilson en andere prominenten en hun levenspartners op de eerste rij zat, deed mij erg goed. Ik volg met groot genoegen zijn wekelijkse weblog.
Dat ik even opliep met de 86-jarige zoon van broeder Schmutzler en zijn echtgenote, was een verrassing voor ons beiden.

Programma
Ik kan er niet onderuit een indruk van het aangeboden programma te geven. Ik meldde al mijn groot respect voor alle medewerkers aan de organisatie. Ook de inzet van de sprekers, zangers en musici en verdient natuurlijk alle lof. Mijn indruk van de kwaliteit van het gebodene zal sterk gekleurd zijn door mijn leeftijd, ook omdat ik het wat vergelijk met vroegere districtsconferenties en vooral de jeugdspaascongressen in Tivoli Utrecht. Maar ook zie en hoor ik af en toe de samenzang en solozang op zondagmorgen op de TV. De daar ten gehore gebrachte liederen en de begeleiding blijken lang niet uit de tijd. Het getuigt voor mij in elk geval van eerbiedige geloofsbeleving. In die trant zong ik in het kwartet met Wim Eikelenboom, Annie Eelsing, Coby Derworth (Nu Van Bemmelen) en Freddy Bailly bij vele conferenties, doopdiensten en andere gelegenheden.

Voor mij was in het programma van de toogdag het absolute hoogtepunt op muzikaal gebied de solozang van een zuster. Haar stem en expressie onderging ik als van een zeer hoog gehalte. Jammer dat zij maar één lied ten gehore bracht. Vervolgens was voor mij het concert van het dubbelmannenkwartet zeer aanvaardbaar; een beetje in de richting van het Deep River Quartet, dat de pan uitspringt, getuige de reacties in de zaal.
De drie zangeressen die de programma’s aaneen bonden en de samenzang begeleidden waren ook aardig, maar ze werden wat overschreeuwd door het bandje wat zó erg zijn best deed dat de stemmen meer wegvielen dan ondersteund werden. Mijn oren tuiten nog. Maar dat is een persoonlijke beleven van mij die op de voorste rij zat in die hoek waar “de klappen” vielen. Anderen in het midden van de zaal bleken er zeer tevreden mee te zijn.

De opkomst en het verlaten van het podium van het grote Ghanese koor was, zoals tijdens de voorgaande toogdag, indrukwekkend en bezienswaardig. Opmerkelijk deze maal waren de verschillen. Vorige maal in klederdracht en speciaal loopje na de pauze door het middenpad, nu vanachter het podium opkomend in uniforme westerse kleding. Dat speet mij een beetje, want die klederdracht was juist een toonbeeld van de geslaagde zending in dat land. De leidster, deze maal een zuster, die ook van achter gezien (vooral door de prominenten met hun levenspartners op de eerste rij) er keurig gekleed uit zag, zou in een TV-programma zeker niet hebben misstaan. De zangeressen op de eerste rijen hadden waarschijnlijk de taak de achterste rijen bijna onzichtbare zangers te begeleiden met een luid “Ojé” na elke regel. Het aantal malen leek mij wel op vijftig uit te komen. Bij elk ojé keerden zij hun lichamen met een gevend armgebaar eerst naar links en bij het volgend o-jé naar rechts, enz. enz. enz. Het hield maar niet op. De vraag rees of dat nu het lied was of dat het als achtergrond was bedoeld voor het onzichtbare en nauwelijks hoorbare mannenkoor erachter dat de melodie verzorgde. In elk geval was het anders dan anders en dwong de discipline waarmee het opgevoerd werd, bewondering af. Leuke, mooie, beschaafde geloofsgenoten.

Voor de gebeden en de samenzang werd verzocht te gaan staan. En weer vroeg ik mij af of dat alleen voor mij vaak wat erg lang was. Ik mag niet verzuimen de twee gebrachte klassieke nummers door de celliste en fluitiste te beschouwen. Ik ben een liefhebber van lichte klassieke muziekstukken van een dertigtal bekende componisten. Ik zong jarenlang in het koor van de Arnhemse Orkest Vereniging, onder andere bij het ten gehore brengen van het slotkoor van de negende symfonie van Beethoven. De keuze van deze twee muziekstukken op de toogdag leek mij een flinke overschatting van de toegankelijkheid daarvan voor ons publiek. Het was voor mij loodzwaar. En och ja: die piano…. Niettemin kunstig.
Verder verscheen er in een flits op het doek een drieluik van drie verdienstelijke oud predikanten waaronder ik Bruinsma en Van der Ploeg herkende. Als dat als een hommage aan die broeders bedoeld was, dan beantwoordde het beeld en het geluid niet aan het doel.
De vertaling van de toespraak van Wilson door Nederlands voorzitter Wim Altink, was, zoals vaker waargenomen, vlot en goed. Hij hoefde niet vaak naar gelijkwaardige Nederlandse woorden te zoeken, en dat vind ik een kunst op zichzelf. Als hij het niet helemaal eens was met de inhoud van het gebodene, dan kan ik mij voorstellen dat het nadoen van bepaalde kernachtige uitspraken hem moeilijk gevallen moet zijn. Je bent tenslotte geen papagaai.

Ons zangkoor van Arnhem, dat al om acht uur aanwezig moest zijn, bleek samen met andere zangkoren om 10 uur als welkom te hebben gezongen. Dat was prettig voor de toen binnenkomende bezoekers, maar door de begroetingen in de “voorhof-eetzaal”(?) kwamen de meesten pas tegen half elf binnen toen zij hun repertoire hadden voleindigd. En dat speet mij als trotse Arnhemse broeder. Van sommige ruimten in de IJsselhal(len) moest je niet teveel gezelligheid verwachten.
Over het voor velen belangrijkste onderdeel van het programma schreef ik al iets: “de pauze”, waarin gelegenheid was oude en nieuwe geloofsgenoten te ontmoeten. En dat vooral gaf mij het gevoel van een geslaagde toogdag, mogelijk de laatste voor mij, de andere Piet en Roel. Ondanks dat ik veel anderen miste. Later hoor je dan dat sommigen daarvan wel aanwezig waren geweest, maar je die in de drukte niet had gezien.

Nabericht
Natuurlijk is dit geen volledig of helemaal correct verslag, maar, nogmaals, een eerste indruk van mij persoonlijk, waarmee ik niemand tekort wil doen.
Het gaat om de gedachte erachter. Na elke wedstrijd kijken trainer en spelers de beelden terug om te zien wat misschien beter had gekund. Alleen dan kan je het beoogde doel nastreven. Als sommigen zich daarbij toch gekwetst voelen, vraag ik hen om vergeving. Ik heb dit stukje wel driemaal moeten wijzigen in het besef dat het nooit volmaakt zal worden. Amateurisme heeft ook wel wat bekoorlijks.
Ik kan mij nooit meten aan de Bijbelschrijvers en Jezus zelf die vaak geen malse kritiek uitten op de gevestigde godsdienst en de eerste christelijke gemeenten. De troost is, dat misschien juist daardoor het christendom over zoveel delen van de wereld ingang heeft gevonden. Allen die aan die toogdag meewerkten, ook de bezoekers: dank en Gods rijke zegen gewenst voor persoon en thuisgemeente. In elk geval: “Tot ziens op de grote toogdag bij de komst van Christus, onze broer.”

o.v.: Piet Schreuder