vrijdag 9 november 2012

T I M

10-11-12

Afgelopen week was de zelfdoding van Tim volop in het nieuws. Een boodschap van een dode aan de levenden. In het kort: “Lieve pap en mam, ik kan het gepest worden niet meer aan. Tot ziens”.
Na ruim zeventig jaar word ik nu regelmatig aan mijn gedrag van toen herinnerd. Zou ik twee meesters op de lagere school het leven zo zuur hebben gemaakt en twee medeleerlingen met pesten misschien de dood hebben in gejaagd? Ik ben tot het einde van mijn levensdagen daardoor met een zeer pijnlijk gevoel opgezadeld. Ik kan het immers niet meer goed maken? En dan zijn er nog de pesterijen die ik mij niet meer bewust ben, maar die het ondergingen tot hun levenseinde wel. De soorten tussen plagen en pesten zijn als tussen flirt en liefde.
Dat ik zelf van mijn veertiende tot mijn negentiende tot de grond toe dagelijks werd vernederd, kan mij niet van mijn gedrag van toen bevrijden. Evenmin van alle spijt die ik daarvan heb. Ook niet de bewuste en onbewuste goede daden die ik daarna vast en zeker aan mijn naasten heb verricht. Al waren dat er duizenden. Al jaren lang fiets ik elke Sabbatmorgen op weg naar de kerk langs het huis waar die gepeste jongen woonde. Mijzelf voortdurend met die schuld de grond in stampen zie ik als pure huichelarij, een soort zielige zelfbevrediging. Het helpt geen zier, net zomin als de smoesjes van verontschuldiging, zoals dat het zijn eigen schuld zou zijn. Het is van alle tijden.
Hij was de zoon van een kleine zelfstandige boekbinder die het vak aan zijn zoon leerde in het souterrain daar, opdat hij later de zaak zou overnemen en zijn kostje gekocht zou zijn. Met hem, een jongen die bij zijn vader ook als leerling in dienst was en nog twee jongens, die in andere boekbinderijen leerling waren, stapten we eens in de week op de bus of in de trein naar Zutfen, waar een dagdeel  theorie werd gegeven over de soorten papier en lijm die wij voor het vak moesten kennen. Op die school gaf een oude meester les die de klas niet aan kon. Onder mijn aanvoering noemden wij hem hardop Peter Pech. Ik was de held. De medeleerling die regelmatig mijn opmerkingen onderging en hem belachelijk maakten, had ook geen verweer. Hij had een wat bekakte stem en zwaaide zijn aktetas onder zij onderarm langs zijn lichaam alsof hij volgens mij de middenstander uit hing. Ik deed hem na. Maar hij wilde juist met ons meedoen en lachen waarom wij lachten. Maar zijn ogen waren leeg.
In de pauze van een les besloot ik dat we moesten spijbelen ten gunste van een toneelstukje wat wij moesten oefenen en uitvoeren tijdens de ouderavond van de Jeugdbond Voor Onthouding, een afdeling van de Nederlandse Geheelonthouderbond, waarvan drie van ons lid waren. Het was bar nat winterweer en we moesten lang door de natte sneeuw baggeren en wachten op de bus terug.
De week daarop verscheen de leerling van de zelfstandige boekbinder huilend in de bus: De zoon van zijn baas, onze medeleerling, was overleden aan difterie. Wij bezochten de volgende dag eerst het rouwcentrum waar hij lag opgebaard. Er zat nog een beetje gedroogd bloed op zijn donzige jongenssnor. Daarna gingen wij met lood in de schoenen naar zijn ouders. Zijn moeder lag hartverscheurend op de divan te huilen. Ik was zo onbenullig te zeggen dat zij niet zo moest huilen. “Wat zou je moeder doen als jij dood was”, bracht zij uit. Toen ik een aantal jaren later in het dienstweigeraarkamp zat, las ik in de krant dat zijn jongere broertje met zijn  fiets onder een bus dodelijk was  verongelukt. Ik moet voor mijn zelfbehoud het medegevoel met zijn moeder verdringen.

Ik heb ook een tijdje het geloof in de God van de Bijbel belachelijk gemaakt. De geloofstheorie die ik na lang zoeken tot mijn levensovertuiging maakte, zegt mij dat ik die schuld nooit met wat ook aan die jongen en zijn ouders kan inlossen. Mijn enige hoop is dat God werkelijk bestaat en Hij en Zijn Zoon Jezus volgens de Bijbel mijn probleem kennen en daar de oplossing voor hebben. Van Jezus wordt verteld dat Hij volmaakt goed leefde en het pesten als geen ander onverdiend onderging tot de dood toe. Daarmee versloeg Hij Gods vijand die het kwaad in mij bewerkt. Als ik in gedachten mijn schuld aan Hem voorleg, verzoent God zich met mij en bevrijdt Hij mij van die schuld. Aldus de theorie. Ik heb geen andere en hoop dat mijn verstand eens mijn gevoel wordt en dat die jongen en ik in het beloofde nieuwe leven met de armen om elkaars schouders voor altijd gelukkig zullen leven.
Ik zal dit wat ongelukkig hebben weergegeven, maar misschien is er een lezer die hetzelfde gaat voelen en beleven.
Toch ook maar bedankt Tim en je ouders om mij dit te herinneren.

Ik heb nu een dochter, zwarte band Taekwondo, gediplomeerd Sociaal Pedagogisch Hulpverleenster. Ze heeft de handen vol aan training sociale weerbaarheid gepeste kinderen. Zij kan zich in hun gevoel goed inleven, omdat zij, zonder dat wij, ouders, dat beseften. Nu geeft zij die kinderen de woorden en houding die  zij zelf had willen gebruiken. Zo kan iedereen zijn bevindingen aan anderen ten nutte maken.