In ons taalgebruik staat het woord "geloven" voor drie begrippen:
1. Niet zeker weten, onzekerheid. Je gelooft dat die afstand 20 km is en die boom vijftien meter hoog is, maar zeker weten doe je het niet. Je vermoedt dat er iets meer in het leven is dan de mens kan bevatten, maar je hebt er geen zeker bewijs voor om dat zomaar als zekerheid te aanvaarden.
2. Onvoorwaardelijk aannemen dat er een Albestuurder bestaat, een almachtige God die de oplossing voor al je persoonlijke en wereldproblemen heeft en je die aanbiedt om er deel aan te hebben. Kortom: een geloofsovertuiging. De bewijzen leid je o.a. af van de verschijnselen in het leven, de gebeurtenissen, de geschiedenis en de natuur die Hij tot aanzijn heeft gebracht. De mens heeft daarover niet de volledige macht. Het overkomt jou en de wereld, hoezeer je ook mede je best doet om een gelukkiger wereld te maken. God weet en ziet het allemaal en leidt het tot een goed einde en een nieuw begin.
3. Overtuigd zijn dat er geen God bestaat omdat als die zou bestaan dan zou hij vast en zeker niet een aarde hebben geschapen die zoveel rampen en ellende voortbracht. Ook de mens is zo onvolmaakt dat hij tot nu toe niet in staat is gebleken om een gelkkige samenlevikng tot stand te brengen. Niettemin zal de mens daar zonder dat godsbeeld via politiek en wetten een algehele verbetering in brengen.