Ik heb het bestaan een concert ter ere van de jubilerende koningin in zijn geheel te beluisteren. Het werd op de televisie uitgezonden. De koninklijke familie zat op de eerste rij. Het concert werd gegeven door een koortje van ongeveer veertien zangers, dat afwisselend samen of in groepjes madrigalen van Sweelinck zongen. Dat zijn meerstemmige liederen zonder begeleiding die herdersminnedichten genoemd worden, maar ook wel gezongen psalmen uit de Bijbel kunnen zijn. Ik heb het nooit zo begrepen gehad op Sweelinck. Het lag voor mij niet in het gehoor. Het woord madrigaal en de naam Sweelinck waren voor mij synoniemen voor moeilijke, kunstmatige, onnatuurlijke muziek dat ik na de aankondiging onmiddellijk afzette. Het lag ver af van de melodieuze lichte klassieke muziek van Bizet, Grieg en Sibelius, om een paar van de componisten te noemen, die mij konden ontroeren.
De componist van een madrigaal zou er hogere wiskunde voor gestudeerd moeten hebben om de verschillende noten melodieus op elkaar aan te laten sluiten.
Maar ik heb me dus gezet de vertolkingen van Sweelincks scheppingen aan te horen. En al luisterend kwam ik in de ban van veelkleurige klanken die met een voor mij ongekende moeilijkheid door de zangers ten gehore werden gebracht. Dat was heel iets anders dan mijn medewerking aan o.a. het slotkoor van de negende symfonie van Beethoven, waarmee na een half jaar lang repetities het seizoen van de abonnementsconcerten van de toenmalige Arnhemsche Orkest Vereeniging, nu Het Gelderse Orkest, werd afgesloten. Het gold tevens als hoogtepunt. De eindeloze herhalingen tijdens de repetities vergden het uiterste van mijn uithoudingsvermogen, zodanig dat ik na de uitvoering die hele Negende een tijdlang niet kon aanhoren.
Het bleef voorbehouden aan echte liefhebbers, die blijkbaar “alle” klassieke muziek, ook de “zeer zware”, mooi vinden. En nog verdenk ik degenen die na elk stuk geestdriftig klappend op de stoel gaan staan, van aanstellerij. Maar, goed, ik heb ook nooit de massa van vooral jeugdigen begrepen die op popconcerten bij elk schor en gekrijs gezongen liedje begeleid door gitaargejank met hun armen mee zwaaien als een wave van hooligans bij een voetbalwedstrijd. Gewoon opgewonden doen om te tonen dat je bij die elite hoort. Het moet aan mij liggen, en volledig begrijpen doen wij elkaar nooit. Ik heb me erbij neergelegd.
Door deze aanloop lijk ik wel erg ver afgeweken van de indruk die ik vanmorgen tijdens mijn ontwaken tussen waken en dromen opdeed. Het voorgaande moest blijkbaar een voorspel zijn van een moeilijk beschrijfbaar gevoel bij een tafereel wat ik aanschouwde.
Ik zag een druk bezette kerkzaal met doodstille mensen in een diffuus licht. De deur was op een kiertje open gehouden want de later binnenkomende mensen moesten de schoenen uittrekken om geruisloos hun plaatsje op te zoeken.
Het podium was leeg op vier stoelen na die in een halve cirkel stonden opgesteld. Het licht in de zaal ging uit en okerkleurig schemerlicht viel op het podium. Iemand uit de zaal betrad dat podium en nam plaats op één van de stoelen. Hij begon zonder aankondiging zacht, maar tot in de verste hoeken van de zaal hoorbaar, een lied uit een oude zangbundel van de kerk te neuriën. Een vrouw liep eveneens het trapje op naar het podium en ging op de stoel naast hem zitten. Zij neuriede het liedje mee in de tweede stem. Vervolgens beklom een tweede man het podium, nam eveneens plaats en sloot zich op dezelfde wijze aan, nu met de derde stem. Tenslotte werd de vierde stoel ingenomen door nog een vrouw die de vierde stem zo vertolkte. Alle vier in alledaagse kleding.
Toen ging het kwartet met dezelfde zachte geluidsterkte over tot het zingen van de algemeen bekende tekst. Allen waren nagenoeg bewegingsloos. Geen van hen toonde zich als leider.
Toen pas drongen de woorden van het lied dat ik jarenlang om de melodie had meegezongen tot mij door. De betekenis van de woorden “Veilig in Jezus’ armen” waren als tot mij persoonlijk gericht, evenals de woorden van de volgende “oude” liedjes die op deze wijze vierstemming werden gezongen. De mensen in de zaal waren doodstil tot na een kwartier iemand ook zachtjes begon mee te meuriën, overgaand tot zingen, en de overige aanwezigen sloten zich geleidelijk aan. Er waren onder hen die een vijfde stem toevoegden en zo kwam ook een zesde stem en meer stemmen. De woorden waren voor ons allen overbekend, maar de betekenis daarvan drong nu pas tot mij door.
Opeens besefte ik dat het een muzikale godsdienstige meditatie was, die tenslotte een spontane beleving werd, zoals ik nog niet eerder had meegemaakt. Iets van een madrigaal. Om het leven mee door te komen.
Piet