donderdag 6 september 2012

DAGBOEKFRAGMENTEN

TOESPRAKEN
Een logboek is een dagboek van zeevaartkundige waarnemingen, zo zegt het woordenboek. Het wordt, bij mijn weten, elke dag door de kapitein van een schip bijgehouden, zoals het woord “dagboek” eigenlijk al zegt. Aan boord van een vliegtuig is een “zwarte doos” waarin de onderlinge gesprekken van de bemanning wordt opgenomen. Om gebeurtenissen van heden en toekomst te kunnen beoordelen is het noodzakelijk van het verleden te leren. Die gebeurtenissen in het verleden en toekomst kunnen ver van elkaar liggen en ook een tijdspanne zijn van elkaar als het knipperen van je oog. Het is het leven van de wereld of dat van je persoonlijk. Mijn behoefte is dat verleden schriftelijk vast te leggen, zoals velen dat met foto’s of voorwerpen of aan de andere kant doen.
Nou ontbreekt mij de tijd en het levensritme om dagelijks dat “dagboek” bij te houden, en dat is bij meer dagboekenschrijvers zo, waardoor het in de strikte zin van het woord geen dagboek is.
Maar er zijn van die dagen waarop gebeurtenissen plaatsvinden die je zó belangwekkend vindt dat je ze voor je gevoel niet mag vergeten. Dus schrijf je het op. De gebeurtenissen die op woensdag 27 augustus 2012 plaatsvonden gaven daar alle aanleiding toe. Om 14.00 uur was de laatste vergadering van het seizoen 2012 van de commissie van de Gemeentelijke Senioren Fietstochten. Daarin werd ik door de voorzitter, die zelf ook afscheid nam, toegesproken omdat ik ruim 15 jaar deelnemer was waarvan ik een tijd lang in het bestuur zat. Afscheid is een beetje sterven, zingt het in een Frans liedje; maar ik trok er niet zwaar aan, omdat mijn bijdrage minimaal was en ik met het vorderen van de leeftijd steeds meer het tekort aan tijd voelde die ik wil besteden aan het schrijven van kolommetjes in een wijkblad en vooral in een “blog” als deze, in hope dat ze worden gelezen en lezers naar een genoegen aan beleven, omdat ze zichzelf daarin kunnen herkennen. Een gemeenschappelijk bezit dus, dat voldoening geeft als iemand dat tegen je zegt. Een heel klein beetje ijdelheid dat steeds meer mensen je groeten, is mij niet vreemd, maar het werkelijke geluk waarop ik wacht, is het niet echt helemaal. Maar dat terzijde. Een paar weken tevoren had ik in aanwezigheid van de wethouder, die hem de onderscheiding “Het Arnhems Meisje” uitreikte, een kleine tweehonderd fietsers vanaf een blaadje toegesproken, waarbij ik er wonderwel in slaagde de sinaasappel (microfoon) onder mijn neus te houden, wat mij een tijdje eerder bij het uitreiken van mijn boek, maar niet lukte. En zie, na het afscheidwoord van de voorzitter aan mij gericht, ging ik staan en sprak, voordat ik het besefte, de vijfentwintig leden tellende commissie, frank en vrij, zonder zenuwen voor de vuist weg toen en waagde het zelfs een aantal anekdoten uit de fietsgeschiedenis te vertellen.

JOOP DE KRUIJFF
Dat was wondertje nummer één. Om half zes belde Joop de Kruijff mij, de coördinator van de boswachterij in Renkum. Ik had met hem na een hartfalen een aantal jaren geleden in het ziekenhuis gelegen. Hij had een bacterie in het hart dat hem noodzaakte aan een dag-en-nachtinfuus verbonden te zijn. Dat geschiedt middels een rijdbare paal waaraan een fles met slangetjes bevestigd is. Het leek hopeloos, want de bacterie keerde steeds terug zodat hij fors langer in het ziekenhuis overbleef dan ik, die binnen een week weer naar huis mocht. Maar de dagen die wij samen in de vierpersoons kamer doorbrachten waren onvergetelijk. Ik heb hem daarna natuurlijk een paar maal geschreven en misschien kreeg ik hem eenmaal aan de telefoon. Toen dacht ik dat hij tot één der personen behoorde die als, dichterlijk gezegd, een in de mist passerend schip was geweest. En nu opeens hij aan de telefoon! Ik wist nog precies bepaalde zaken woordelijk die wij met elkaar hadden gesproken en beleefd. Als wij aan het discussiëren waren, kwamen patiënten van andere kamers met hun infuusstaf binnen om naar ons te luisteren. Wij waren daarmee zó druk bezig dat om elf uur de zuster binnenkwam om te zeggen dat wij nu eindelijk eens dienden te gaan slapen. Ik herinnerde hem vooral aan een  eenvoudige uitspraak van hem die luidde: “Nemen wat er komt en het beste ervan maken”. Ik zei hem dat die simpele uitspraak van mij door een aantal moeilijke perioden van mijn leven had geholpen en dat ik blij was hem daarvoor nu eens te kunnen bedanken. Hij vertelde dat hij vier jaar geleden zijn vrouw, die hem destijds regelmatig bezocht, had verloren. Ik vroeg er niet naar, maar dat zo’n verlies indruk maakt is zeker. Dat zijn nuchtere uitspraak die mij hielp hemzelf ook bij dat verlies geholpen mocht hebben was mijn diepe wens voor hem.

JISVI IN BOLSWARD
Wondertje drie was een telefoontje kort daarna van mijn zoon Jisvi. Hij nodigde mij en de andere vroegere gezinsleden uit voor de viering van de verjaardag van zijn zoon, mijn kleinzoon, Hidde, die 13 september vier jaar hoopte te worden. Dat was het dan, dacht ik. Maar toen zei hij opeens dat hij gedurende ons telefoongesprek in Bolsward liep, de geboorteplaats van mijn moeder, zijn oma. Hij zei dat hij in het centrum liep en ik antwoordde dat hij dus op de Appelmarkt liep en hoe die eruit zag en dat hij bij het mooiste stadhuis van Nederland moest staan met de stoep waarvan één trede ongelijk aan de anderen was. Al lopende bevestigde hij dat. Iets voorbij de Appelmarkt had ome Nico een viszaak gehad. Toen vertelde ik dat de straat links van hem een zijstraat had die Het Hoog heet en de volgende straat “Het Laag”, en dat daar mijn moeder, zijn oma was geboren. Hij wist nog dat ik eens verteld had dat ik met zijn moeder voor het nieuwe huis had gestaan dat in de plaats van genoemd geboortehuis stond, en dat op het raam de meisjesachternaam van mijn vrouw had gestaan: “Nagelhout”. En hij stond daar nu, want zo’n kleine plaats is eenvoudig te belopen.
Hij had daar een kamer in een hotelletje afgehuurd omdat hij als een soort inspecteur de melkfabriek Campina moest controleren of die voor de verzekeringsmaatschappij Lloyds, in aanmerking kwam voor een verzekering. Dat deed hij ook voor een voedselfabriek in Workum, waar ik een tijdje in een spoorwegwoning was ondergedoken geweest bij een oom en tante. Dat hij altijd maar door praatte met een mobieltje aan zijn oor, gaf mij wel de indruk dat hij over een behoorlijk duur abonnement moest beschikken en hij dat gemakkelijk op kosten van zijn maatschappij kon doen. Dat mijn zoon die zich ingenieur mag noemen, zo’n betrekking had gekregen terwijl ik me een slag in de rondte ploeterde in een klein drukkerijtje, vervulde deze ouwe heer met onverholen trots. Ik vertelde hem nog dat daar vroeger de melkfabriek “Hollandia” stond en in een wijk de straten heetten 1e, 2e en 3e Hollandiastraat waar o.a. mijn Ome Tjeerd en tante Jetske woonden. Ome Tjeerd was letterzetter bij drukkerij De Jong op de Appelmarkt. Jisvi vond in het hotel het adres van de nieuwe woning van de neef Rintje en nicht Grietje, die mij een tijdje geleden hadden bericht dat zij verhuisd waren. Maar ik was dat adres vergeten, hoewel Rintje altijd dé postbode van Bolsward was geweest.

SERAJA EN PETER OP AIRBORNETOCHT
Diezelfde avond nog het telefoontje van dochter Seraja. In plaats van dat zij net als zoon Rob en mij de komende Sabbat de Adventkerk zou bezoeken, had zij besloten aan het verzoek van zoon Peter gevolg te geven om op die dag de Airbornetocht in Oosterbeek mee te lopen. En of ik dan zo goed wilde zijn om na de Sabbatdienst demente ma Gerda in de Krammerstraat, waar zij na mijn noodgedwongen vertrek nog woonden, daar te eten wilde geven. Want zij is een met plezier intensieve mantelzorgster van ma.  Ik vertelde dat tijdens de dienst aan Rob en hij vertrok nog eerder dan ik. Ik dacht naar zijn liefje Carmen waar zij met haar in een groot huis in Emmerik, Duitsland, wonen.
Toen ik na het openen van de voordeur de gang betrad, hoorde ik bonzen op de gangmuur. Nou, dacht ik nog, díé heeft honger! Ik ging de kamer binnen, en daar zat Rob al naast de stoel van ma. Lachen. Ik haalde het brood en de melk uit de koelkast, Rob warmde de melk op en nam ook al gauw mijn taak over om ma stukje bij beetje de boterham in haar hand te geven en naar de mond te brengen. Al gezellig met elkaar en tegen ma keuvelend. Later op de avond belde Seraja, dat zij en Peter een fijne wandeling hadden gemaakt en met een reservist intussen een prettig godsdienstig gesprek hadden gevoerd. Zij hadden de medailles verdiend. Zij vond het lief dat Rob en ik ma zo goed hadden geholpen, waardoor zij en Peter met een gerust hart en trots terug konden zien op hun sportieve prestatie. 

RINTJE EN GRIETJE
Toch maar na dat alles weer even mijn e-mail openen. En, wel ja: een leuke brief van mijn correspondente te Bolsward, de schrijfster van de overgebleven familieleden aldaar, Grietje, de vrouw van Rintje, mijn bloedeigen neef, zoon van de zuster van mijn moeder. Mijn andere nicht, Gatske, woont met haar man Ubel (roepnaam Oepie) in Amsterdam. Zij en ik houden elkaar ook af en toe op de hoogte van ons al of niet welzijn. Nóóit verander ik mijn naam, zei ze eens, desgevraagd, want mijn pa en ma gaven mij die uit liefde. Fijn toch, zo’n familie hè. Ik maakte uit de mail op dat Jisvi hen jammer genoeg niet meer had kunnen bereiken.

Jullie mogen vaststellen dat ik deze gebeurtenissen niet in de juiste volgorde heb geschreven. En ik weet zeker dat ik nog een merkwaardig telefoontje heb gekregen of een bezoekje van een buurtgenoot met het laatste nieuwtje uit de buurt, omdat ik het voorrecht heb secretaris en aanspreekpunt van de medebewoners van mijn flat met ruim honderd tellende voordeuren te zijn. Maar het zij mij vergeven dat ik niet alles onthield, vind je niet? In elk geval was het één van die dagen waarop alles tegelijk gebeurde, en dat is toch de moeite waard om het mij te herinneren en de familie en anderen te laten daarin te laten delen. Al is het alleen maar om te laten weten dat ik mij niet verveel.
Dit gezegd hebbende,
(O)Pa Piet