Terugblik 4 of Levensloop 4 (12-14 jaar – 1937-1939)
Behalve
de kleuterschool is de Lagere School de enige schoolse opleiding die ik heb
genoten. Het was geen onverdeeld genoegen voortdurend de andere leerlingen
als intelligenter te beschouwen.
Maar toen ik in de zesde klas was blijven zitten, mede dankzij mijn super
brutale maat, begon pas een veel grotere vrees mij te besluipen. Ik moest
langzamerhand een grote beslissing nemen. Als je 14 jaar werd móést je van de
Lagere School af en een hele grote beslissing nemen voor je toekomst. Had ik
hersens genoeg om naar het Uitgebreid Lager Onderwijs (ULO) te gaan en mijn
ouders daardoor geld voldoende of moest ik bij een baas, slager, smid, bakker,
of zo, gaan werken om zo een vak te leren. De Vijverschool had geen zevende klas. Dus toen ik eindelijk van de zesde klas naar de zevende klas ging, verhuisde
ik met de anderen die overgingen, naar de zevende klas van de Kambergschool aan
de Agnietenstraat, midden in de volkswijk Klarendal. Iemand met een vak is
altijd onder dak, luidde het gezegde. Dat ik geen hersens genoeg had om door te
leren was voor mij zo klaar als een klontje, maar hoe ik ook prakkizeerde: ik
kon geen vak bedenken wat mijn beroep zou worden dat ik zou willen en kunnen
leren.
Met de aanvang van die
gedachten moest ik de hobbel van de zevende klas gelukkig nog nemen. Maar de
tijd voor die moeilijke beslissing doemde vaker als een schrikbeeld op.
Zaten op de Vijverschool twee meisjes op de bank links vooraan
Fietje van Elst en Zetta Harvon met wie wij het meeste contact hadden, op de
bank links vooraan in de klas op de Kambergschool waren dat toevallig ook links
vooraan Miep Gerritsen en Coosje Willemsen. Japie en ik zaten ook weer rechts
vertrouwd achteraan. Nieuwe flirtrages ontstonden al gauw weer op dezelfde wijze
als met Fietje en Zetta, meisjes van onze wijk Plattenburg. (De laatste was een
Jodinnetje. Ze kwam na de oorlog niet terug…..). De meeste jongens bleken,
gehoord de praatjes in het speelkwartier, nu in de fase van hun leeftijd te
zijn die ze adolescentie of puberteit noemen, de overgang naar volwassenheid.
Japie en ik werden preuts gevonden. Mogelijk dankten wij dat aan onze omgang
met de twee meisjes bij het uitgaan van de school. Wij liepen ook met hen een
eindje op. Miep woonde in de Manegestraat aan het eind van de Spoorwegstraat,
Coosje was de dochter van de baas en bazin van de groentezaak aan de
Hommelseweg bij de Dalweg. Jaap en ik kwamen als wij ze weg brachten nooit tot
hun huis. Het was onnozel gedoe; vlak gepraat wat toch een licht gevoel van
trots gaf. Wij hadden immers elk een meisje.
Ik was hen toen ik na vijf jaar van school af was, al bijna
vergeten, totdat ik Miep met een jongen omstrengeld in een portiek aan de
Rijnkade zag staan. Dat was een licht pijnlijk afscheid van een aanbedene. Niettemin
noemde ik het jonge katje wat ik van Japie kreeg “Miepsie” en alle vijftien
poezen die ik daarna successievelijk kreeg Mespie 1, Miepsie 2, enzovoort. Nu
ik 94 jaar ben heb ik Miepsie 16. Het is een cyperse, een rode. De eerste
Miepsie was zwart en had een wit befje, witte voetjes en een wit puntje aan de
staart. Wij kregen wat later daarbij een kleine halfbakken labradorhondje met dezelfde witte plekken op de zwarte vacht, die Jopie moest heten. Waarom die zo werd genoemd,
dat kan je in een ander blogje lezen. Ook hoeveel mijn ouders en ik genoten van de omgang tussen hond en kat en hun omgang met ons. Mijn zus was inmiddels als au per
(kinderverzorgster in Engeland) uit huis. Er zijn meer huisdieren in ons land
dan mensen. En dat heeft zijn oorzaken die jijzelf mag bedenken.
Toen ik na de oorlog als jeugdleider naast mijn jeugdclub van mijn wijk langs restaurant Pinokio naar de Amsterdamseweg liep, fietste opeens naast me rustig een nogal gezette dame. "Dag Piet, ken je me nog?" Coosje. Wij zo voortgaande praatten even prettig met elkaar. Mijn geweten plaagt mij, omdat ik wat uitgebreider met haar had moeten praten....
Toen ik na de oorlog als jeugdleider naast mijn jeugdclub van mijn wijk langs restaurant Pinokio naar de Amsterdamseweg liep, fietste opeens naast me rustig een nogal gezette dame. "Dag Piet, ken je me nog?" Coosje. Wij zo voortgaande praatten even prettig met elkaar. Mijn geweten plaagt mij, omdat ik wat uitgebreider met haar had moeten praten....
In de laatste maand van mijn
schooltijd gebeurde iets merkwaardigs. De bovenmeester vroeg mij de komende
ouderavond te openen. Ik
schrok vreselijk en kwelde mij met de
vraag: WAAROM JUIST IK EN NIET EEN VAN DE ANDERE VEEL KNAPPERE LEERLINGEN! Hoe
ik mij daaruit redde, weet ik nog steeds niet. Ook niet wie hij wel of niet voor
die opening vond. Die moest toch wel een goede verschijning, lef en geheugen hebben gehad en
van de tongriem gesneden zijn, die ik totaal niet had.
Het wordt tijd dat ik de meest turbulente tijd, die van mijn 14e
tot mijn 20e jaar, probeer te beschrijven, met wat vrees voor
vervaging en onbewuste vervalsing van mijn geheugen.