woensdag 26 oktober 2016

Bergdorp

Een misdadiger keert terug naar de plek van de misdaad. Chinezen overal ter wereld willen in China sterven. De vogeltrek blijft een raadsel. Ze keren regelmatig terug naar de plek van hun voorouders.
Denk niet te gering over de gemoedstoestand van de mens die zijn geboorteland ontvlucht. Zo trek ik af en toe in werkelijkheid, in gedachten of visioenen terug naar de hoge Vogelwijk waar ik werd geboren. Vervormt je geheugen al, de droom maakt er helemaal wat van. Je vraagt je af of het betekenis heeft, een boodschap. Wat heeft het met die eerste heftige indrukken van je leven te maken. Het is als met muziek die gevisualiseerd, zichtbaar wordt gemaakt door abstracte, bewegende beelden.

Minstens eenmaal per jaar ga ik terug naar de wijk waar ik ben geboren en acht jaar heb gewoond met mijn ouders en anderhalf jaar oudere zusje. Eerst bezocht ik het met een familielid of vriend met wie ik wat met de auto of fiets rond reed, daarna met mijn vrouw en mijn kinderen. De wijk is gelegen op een bergje. Het heeft de eigenschap dat de huizen uitsluitend op het afgeplatte bovenste deel zijn gebouwd. Om daar te komen moet je vanaf de binnenstad komende lange steile straten op, de Lindelaan, Vijverlaan, Thomas à Kempislaan of en vooral de Hofflaan, welke laatste te beklimmen en te overzien is vanaf de Velperweg. Daar zie je al dat helemaal bovenaan nog een stenen trap is van ongeveer tien treden om op de aangrenzende Vijverlaan te komen. Als je die oversteekt ben je pas in de wijk, die toepasselijk Vogelwijk heet en straatnamen heeft die naar vogels zijn genoemd.
Dit is weliswaar een nuchtere voorbeschouwing, maar het verklaart wel iets van de droom. Die was, zoals dromen horen te zijn, wat onwerkelijker, maar nu niet helemaal.

Ik was er met mijn vrouw en twee zoontjes. Ze waren al zo eigenwijs om niet met ons mee te lopen maar zelf op die berg op avontuur te gaan. Ze waren opeens uit mijn zicht verdwenen, wat altijd iets van de angst oproept dat we elkaar niet meer kunnen vinden. Zoals je rechtop zittend met je ogen het drukke strand naar ze afzoekt terwijl ze vlak achter je staan. Maar wegens het voor hen onbekende hoopten wij dat ze ons nu toch weer gauw zouden vinden om samen dit vreemde land te ontdekken. Gelukkig waren de slimmeriken er opeens weer, alsof zij voelden dat wij elkaar nu nodig hadden.

Wij reden eerst nog samen langs een moeilijk begaanbaar rotsachtige pad aan die zijkant van de berg waar geen huizen en straten waren. Aan de rechterzijde werd het pad begeleid door een lage onregelmatige rotswand van anderhalve meter hoog. Het pad werd steeds moeilijker begaanbaar en ik wist dat hij zou doodlopen. Maar op de één of andere wijze bleef hij ons boeien alsof het geheim ervan nog niet was ontdekt. Wat daar beneden was bleef altijd onbekend. Ik weet niet meer waar we halt hielden en hoe wij keerden. Dat deed er opeens niet meer toe. Want er gebeurde iets merkwaardigs. Het begon te schemeren en toen gebeurde het. Langs de talloze kleine paadjes daalden alle bewoners van het bergdorpje van jong tot oud de berg af. De woeste leegte was opeens gevuld met rustig lopende mensen die zacht met elkaar spraken. Ze hielden halt op een bepaalde hoogte en vormden daar een brede haag. Alles in volledige harmonie. Daar stonden ze dagelijks op dat tijdstip op een bepaalde gebeurtenis te wachten. Wij stonden tussen hen in en niemand die ervan opkeek dat wij niet tot de bewoners behoorden. Wij waren in de menigte opgenomen en stonden mee te wachten. Ze bespraken de dagelijkse zaken, maar hun stemmen werden steeds zachter tot het geluid ervan verstomde. Iedereen op de helling zweeg en wachtte rustig en eerbiedig af.
Toen daalde de zon. Hij werd steeds groter, eerst oranje en toen vuurrood. Heel langzaam, deel voor deel verdween hij achter de horizon. Eerst zonk een kwart erachter, toen de helft en ja, daar ging hij, de hemel nog eenmaal in gloed zettende, volkomen weg. Langzaam verdween ook de gloed die hij even had achter gelaten.
Iedereen had doodstil toegekeken. Wij ook, mede vol ontzag voor het schouwspel, maar ook vol verwondering en bewondering voor de massa die het zo had aanschouwd. Daarna liepen allen weer kalm de helling op, eerst zwijgend toen zachtjes het gesprek hervattend. Niet over het verschijnsel want dat was hun vanaf de geboorte al zo bekend. De gang naar de plek waar zij het zagen gebeuren was de gewoonte die bij het bergdorp hoorde zolang als zij en hun voorouders daar woonden en iedereen die er toevallig, zoals wij, op dat tijdstip waren, deed daaraan mee.
Nou, dat was het dan. Waarom dit mij zo diep beroerde en ik dit moest opschrijven, weet ik niet. Ik kan ernaar gissen. De onwerkelijke eerbied voor dit einde van de dag na zware arbeid? Het ontzag voor de prachtige natuur van de aarde die wij bewonen? De specialiteit van het schouwspel dat alleen aan dat bergdorp was voorbehouden en dat men als eigendom beschouwde? Of het bewust blijven van het grote geheim van dit leven en het heelal waar zoveel is wat wij niet maar misschien ooit zullen begrijpen? De gelatenheid over de toestand waarin wij thans leven en het toch onbewust blijven zoeken naar het geheim erachter?