Een misdadiger keert terug naar de plek van de
misdaad. Chinezen overal ter wereld willen in China sterven. De vogeltrek blijft
een raadsel. Ze keren regelmatig terug naar de plek van hun voorouders.
Denk niet te gering over de gemoedstoestand van de
mens die zijn geboorteland ontvlucht. Zo trek ik af en toe in werkelijkheid, in
gedachten of visioenen terug naar de hoge Vogelwijk waar ik werd geboren.
Vervormt je geheugen al, de droom maakt er helemaal wat van. Je vraagt je af of
het betekenis heeft, een boodschap. Wat heeft het met die eerste heftige indrukken van je leven te maken. Het is als met muziek die gevisualiseerd,
zichtbaar wordt gemaakt door abstracte, bewegende beelden.
Minstens
eenmaal per jaar ga ik terug naar de wijk waar ik ben geboren en acht jaar heb
gewoond met mijn ouders en anderhalf jaar oudere zusje. Eerst bezocht ik het
met een familielid of vriend met wie ik wat met de auto of fiets rond reed,
daarna met mijn vrouw en mijn kinderen. De wijk is gelegen op een bergje. Het
heeft de eigenschap dat de huizen uitsluitend op het afgeplatte bovenste deel
zijn gebouwd. Om daar te komen moet je vanaf de binnenstad komende lange steile
straten op, de Lindelaan, Vijverlaan, Thomas à Kempislaan of en vooral de
Hofflaan, welke laatste te beklimmen en te overzien is vanaf de Velperweg. Daar
zie je al dat helemaal bovenaan nog een stenen trap is van ongeveer tien treden
om op de aangrenzende Vijverlaan te komen. Als je die oversteekt ben je pas in
de wijk, die toepasselijk Vogelwijk heet en straatnamen heeft die naar vogels
zijn genoemd.
Dit
is weliswaar een nuchtere voorbeschouwing, maar het verklaart wel iets van de
droom. Die was, zoals dromen horen te zijn, wat onwerkelijker, maar nu niet
helemaal.
Ik
was er met mijn vrouw en twee zoontjes. Ze waren al zo eigenwijs om niet met
ons mee te lopen maar zelf op die berg op avontuur te gaan. Ze waren opeens uit
mijn zicht verdwenen, wat altijd iets van de angst oproept dat we elkaar niet
meer kunnen vinden. Zoals je rechtop zittend met je ogen het drukke strand naar
ze afzoekt terwijl ze vlak achter je staan. Maar wegens het voor hen onbekende
hoopten wij dat ze ons nu toch weer gauw zouden vinden om samen dit vreemde
land te ontdekken. Gelukkig waren de slimmeriken er opeens weer, alsof zij
voelden dat wij elkaar nu nodig hadden.
Wij
reden eerst nog samen langs een moeilijk begaanbaar rotsachtige pad aan die
zijkant van de berg waar geen huizen en straten waren. Aan de rechterzijde werd
het pad begeleid door een lage onregelmatige rotswand van anderhalve meter
hoog. Het pad werd steeds moeilijker begaanbaar en ik wist dat hij zou
doodlopen. Maar op de één of andere wijze bleef hij ons boeien alsof het geheim
ervan nog niet was ontdekt. Wat daar beneden was bleef altijd onbekend. Ik weet
niet meer waar we halt hielden en hoe wij keerden. Dat deed er opeens niet meer
toe. Want er gebeurde iets merkwaardigs. Het begon te schemeren en toen
gebeurde het. Langs de talloze kleine paadjes daalden alle bewoners van het
bergdorpje van jong tot oud de berg af. De woeste leegte was opeens gevuld met
rustig lopende mensen die zacht met elkaar spraken. Ze hielden halt op een
bepaalde hoogte en vormden daar een brede haag. Alles in volledige harmonie.
Daar stonden ze dagelijks op dat tijdstip op een bepaalde gebeurtenis te
wachten. Wij stonden tussen hen in en niemand die ervan opkeek dat wij niet tot
de bewoners behoorden. Wij waren in de menigte opgenomen en stonden mee te
wachten. Ze bespraken de dagelijkse zaken, maar hun stemmen werden steeds
zachter tot het geluid ervan verstomde. Iedereen op de helling zweeg en wachtte
rustig en eerbiedig af.
Toen
daalde de zon. Hij werd steeds groter, eerst oranje en toen vuurrood. Heel
langzaam, deel voor deel verdween hij achter de horizon. Eerst zonk een kwart
erachter, toen de helft en ja, daar ging hij, de hemel nog eenmaal in gloed
zettende, volkomen weg. Langzaam verdween ook de gloed die hij even had achter
gelaten.
Iedereen
had doodstil toegekeken. Wij ook, mede vol ontzag voor het schouwspel, maar ook
vol verwondering en bewondering voor de massa die het zo had aanschouwd. Daarna
liepen allen weer kalm de helling op, eerst zwijgend toen zachtjes het gesprek
hervattend. Niet over het verschijnsel want dat was hun vanaf de geboorte al zo
bekend. De gang naar de plek waar zij het zagen gebeuren was de gewoonte die
bij het bergdorp hoorde zolang als zij en hun voorouders daar woonden en
iedereen die er toevallig, zoals wij, op dat tijdstip waren, deed daaraan mee.
Nou,
dat was het dan. Waarom dit mij zo diep beroerde en ik dit moest opschrijven,
weet ik niet. Ik kan ernaar gissen. De onwerkelijke eerbied voor dit einde van
de dag na zware arbeid? Het ontzag voor de prachtige natuur van de aarde die wij
bewonen? De specialiteit van het schouwspel dat alleen aan dat bergdorp was
voorbehouden en dat men als eigendom beschouwde? Of het bewust blijven van het
grote geheim van dit leven en het heelal waar zoveel is wat wij niet maar
misschien ooit zullen begrijpen? De gelatenheid over de toestand waarin wij
thans leven en het toch onbewust blijven zoeken naar het geheim erachter?