V I S S E N
Vrijdag is mijn
boodschappendag. Ik fiets om mijn huis, ga langs het spoor en duik daar iets
verder onder het viaduct door. Daar kom ik op het fietspad van de Laan van
Presikhaaf, dat westelijk, wat voorheen onze achter- en speeltuin was, begrenst.
Halverwege staat aan de binnenkant in het bosje de nieuwe school “Leerpark”.
Tussen het fietspad en de school begint daar de vijver die mij blijft
begeleiden als ik de hoek naar de IJssellaan naar links opdraai. Van deze
zuidelijke zijde kan ik een vage blik werpen op de grote vijver in het park,
die als een betekenisvolle vraagteken om het eilandje daar heen draait. Het is
het enige wat mij aan dat “cultuur-historisch” bosje van vroeger doet denken.
Deed ik mijn best het na de oorlog gekapte bos nieuw leven in te blazen, weet
een landschapsarchitecte het beter. Een mooi gazon met hier en daar een
boompje, een struikje en zelfs een rijtje bomen.
Soms zit beneden aan
de helling aan de rand van de vijver een hengelaar. Vooral als het miezerig
weer is. Hij heeft een kolossale zwarte paraplu laag over hem heen gedrapeerd,
en ik ontwaar daarnaast nog drie soorten hengels, schepnetten en doosjes met
vissersbenodigdheden. En dichter naast hem zijn broodtrommeltje.
Ik deed mijn
boodschappen, had mijn fietstassen vol, en meende weer mijn been als altijd
zwierig over het zadel te slaan om zo mijn ijzeren ros te bestijgen, maar bleef
met mijn been achter het zadel haken. Nou moet ik eerlijk bekennen, dat ik
dankzij een verleden van voetballen en boompje klimmen, daar een aardige
valtechniek van heb overgehouden. De fiets deed een zijwaartse aanval op mij,
dus liet ik hem langzaam over mij heen komen. Twee jongens en twee meisjes van
de jeugd van tegenwoordig, kwamen bezorgd op mij af. De knapste (dat heb ik nou
altijd) vroeg of ze mij kon helpen. Ik wilde dat graag aanvaarden, maar kon
niet nalaten te vragen of ze even naast me wou komen liggen om in plaats van
etalages ook eens, zoals ik nu, een blik in de hemel wilde werpen.
Ze hielp de fiets en
mij overeind, waarvoor ik mijn grote dank betuigde. Ik ging tegen een grote
bloembak leunen, zette de fiets schuin opzij naar me toe, zodat de hoogte van
het bestijgen minder groot werd. Dezelfde avond zag ik op de televisie, dat
wegens de vergrijzing dergelijke lichte ongevallen schering en inslag waren en
mijn methode werd aangeraden. Daarom ruilen de heren hun fiets in voor een
damesfiets, liefst met lage instap, en als de beurs het toelaat, elektrisch. Ik
dwing mijzelf te blijven bewegen, en ik had die fiets met een mazzeltje voor
134 euro op de kop getikt. Ik ben trouw van aard.
Toen ik dezelfde weg
terug reed zat die hengelaar aan de rand van de vijver er nog steeds. Ik kon
niet nalaten even naast hem te gaan zitten en te vragen of hij al wat gevangen
had en of hij niet bang was kou te vatten. Het antwoord op beide vragen was:
"nee, maar meestal bijten ze met dit weer wel het beste, en je kunt de
vrouw niet de hele dag voor de voeten lopen”.
Ik vervolgde mijn
weg, maar zag de man in mijn gedachten op huis aangaan, zijn visspullen keurig
in de hoek van de schuur neerzetten en door te tuin lopen richting visite. Hij
keek nog eens achterom en in zijn hoofd zong het liedje: “Er is één ding wat ik
niet zou willen missen: …… vissen!”