dinsdag 19 januari 2016

TERUGBLIK 1


                 TERUGBLIK 1 -  Levensloop 1925-1937
Piet Schreuder
Eerst maar het teleurstellende gedeelte.
Zeg mij nooit meer dat je van de eerste drie jaren van je leven niets meer kunt herinneren. Ik in elk geval wel. 
Zwom je eerst negen maanden veilig in de buik van je moeder, word je er uitgeperst en moet je maar zien zelf aan de kost te komen. Dat ging van mijn kant onder luid protest wat je best als mijn eerste afhankelijkheidsverklaring mag opvatten. En dat op een locatie, die de directeur van volkshuisvesting die van verre uitzichten hield, beste had gedacht als wijk op een berg in het heuvelachtige Arnhem te bouwen, toepasselijk genaamd Vogelwijk. Je kon er als peuter alleen maar aflopen en niet op. En ik moest helemaal Onder de Linden af om naar de kleuterschool De Klaproos in de Nijhoffstraat te komen, genaamd naar mijn toekomstige lievelingsdichter. Mijn zusje had daar haar geluk al anderhalf jaar beproefd onder de leiding van Juffrouw Beer met assistente Juffrouw Van Doornik. De juffrouw die over mij het bevel zou voeren heette Vente, drie nogal dreigende, stekelige namen. De mijne had glad, zwart haar met een stevige lok over een kwart van haar voorhoofd. Van 1928 tot 1931 drie vergetelijke jaren overdag van mijn ouders gescheiden.
De Lindeschool als Lagere School, waarheen ik daarna verplaatst werd, lag maar vijf minuten dichter bij huis. Er stond midden op de speelplaats langer dan zeventig jaar een lindeboom, van welke soort ik later een mocht uitkiezen voor een zogenaamde Pietboom in park Presikhaaf wat ik na de oorlog uit de grond toverde op de plaats waar eerder al een “cultuurhistorisch” park was geweest. Eén van de grootste teleurstellingen en niet alleen voor mij, was dat een landschapsarchitecte van de gemeente het goed dacht mijn door collecten verzamelde bomen nóg eens om te hakken en er een gazon met gedropte boompjes van te maken wat een “evenementenpark” moest heten.
De gemeente had dus tweemaal in een vlaag van verstandsverbijstering het eerste en herstelde bos omgezaagd, een klankbordgroep van ambtenaren met enige verdoofde, eerzuchtige omwonenden in het leven geroepen om een schijn van betrokken- heid van nieuwe omwonenden te scheppen, die het draagvlak moest vormen om dat evenementenpark te rechtvaardigen, een veld dat in geen enkel opzicht aan het eerdere park deed denken wat de vroegere omwonenden als hun achtertuin beschouwden.  
Vanaf de eerste trede die ik in 1931 op mijn zesde jaar over de drempel van de eerste klas Lagere School zette, was het voor de moederlijke, mollige, juffrouw Wunderink met blond krullend haar, al snel duidelijk dat ik het sloomste jongetje van de klas zou worden. Ik kwam volgens haar hier uitsluitend om bemoederd te worden.
Daar dacht zij een speciaal opvoedkundige draai aan te moeten geven. Zij ging op de lessenaar zitten en verzamelde alle kinderen om zich heen en vroeg ieder kind met wie hij en zij zou trouwen. Al gauw was iedereen verkocht aan een ander, maar ik bleef natuurlijk over. Ik wilde uitgesproken niemand en niemand mij.
“En jij, Pietje?” vroeg zij. “Er is niemand meer”, antwoordde ik wat onverschillig maar toch ietwat onthutst. “Nou, dan trouw je toch met mij”, zei ze of het de gewoonste zaak van de wereld was. Daar moet u het maar mee doen, zou de rijdende rechter zeggen.
En ik moet zeggen dat ze me trouw was. Bij het kleinste beetje pijn in de buik zag ik haar voor het raam van mijn huis langslopen. En niet om me de verzuimde les te geven. Want ze wist dat ik in de bank al voortdurend de neiging had in slaap te vallen, want ik had geen enkele behoefte aan rekenen en taal. Er zouden hele andere dingen moeten bestaan om mij gelukkig te maken. Maar ik had geen flauw benul welke dingen. Tot nog toe was alles wat ik moest doen dwangarbeid.

Eigenzinnig
Het moge eigenzinnig heten, maar bij de vroegste herinneringen moet ik helaas vermelden, dat ik af en toe een zeer lastige karaktertrek toonde. Ons gezin wandelde als geen ander de Arnhemse parken en de Veluwe en Betuwe af, zodat bezoek soms aan de dichte deur kwam. Toen we tegenover de ingang van park Sonsbeek aan de Apeldoornseweg op de hoek van de Sint Peterlaan kwamen waar nog de tram reed, ging ik op de grond liggen  en vertikte ik het een stap verder te doen, hoe mijn ouders mij ook bevalen op te staan en mee te lopen. Hoe lang ik daar gelegen had weet ik niet. Dat is een zekerheid. Het volgende durf ik niet als waar op te voeren, maar er kwam een tram aan rijden en, o wonder, op de buffer zat met een hoge hoed op, mijn vader parmantig te doen. Dat was het einde van mijn zitstaking. Ik moet dit vermelden, hoe ongeloofwaardig ook. Maar het zit in mijn geheugen ingebakken.
Zo ik het niet eerder vermeldde: zus Corrie zei: "Pappie is zo deftig als een rijtuig". Thuis in oude gescheurde kleren, op de wandeling stram rechtop in een prachtig zelf gemaakt pak, bij mooi weer met een strooien hoed op, zoals toen de mode was.

Nu het opbeurende gedeelte. 
In 1933, ik was toen acht jaar, kregen de bewoners van de Vogelwijk, waarop ik woonde, het bericht van de Woningstichting dat onze huizen daar op instorten stonden. Wij moesten zo gauw mogelijk kiezen tussen de in aanbouw zijnde wijken Arnhem-Zuid, Het Broek en Plattenburg. Mijn ouders kozen voor de laatste. Zij kregen er geen spijt van. Natuur er omheen in overvloed en daar hielden ze van. Ik moest ook verhuizen van school en werd overgeplaatst naar de Vijverschool (16a) aan de andere kant van de hooggelegen Vogelwijk, onderaan de Vijverlaan. Weliswaar naast de houten noodwoningen Bloemenwijk en Vijverwijk met onbestrate paden. Mensen uit andere wijken liepen wat huiverig langs die wijken, vooral als het donker was. Ik zag en hoorde de noodwoningen later afbranden. Een aantal van hen kregen wij als buren en dat bleken best fatsoenlijke mensen te zijn.
En wat geschiedde? Juffrouw Wundering bleek haar woord te houden. Ze volgde me naar de Vijverschool. Ik zat echter nu in de vierde klas en zij in de eerste. Wij kregen als werkstuk een opstelletje maken. Ik had geen flauw benul hoe dat moest en ging uit louter verveling niet letters schrijven maar zorgvuldig tekenen. Der volgende dag had de meester ze nagekeken en deelde ze uit. Elk met een cijfer eronder. Eén was zo stom geweest zijn naam er niet onder te zetten en die kreeg juist een tien die de meester zelden gaf. Toen alles was uitgedeeld bleef die over. Ik had mijn opstel niet terug gekregen, en toen hij vroeg van wie dat opstel was, kon het toch niet anders dan dat dat van mij was. Ik zat dicht bij de deur, waarvan de bovenste helft van glas was. De meester had een hekel aan vingers in de lucht, dus deed ik, als gewenst, de armen over elkaar en stak mijn borst vooruit. En wie liep juist op dat moment over de gang langs de deur, waarvan de bovenste helft van glas was? Juffrouw Wunderink, mijn mollige, rondborstige, bijna achterover lopende verloofde, tasje strak onder de arm. Ze zag me en knikte overdreven goedkeurend. Dat was het laatste wat ik van haar zag, want ze ging, geheel in stijl, er met een speelgoedfabrikant vandoor. Ik had weliswaar zo twee keer een tien, maar moest die laatste afstaan aan een concurrent. Het zij hen gegund en wie weet, ondanks dat ik iedereen kansrijker zag, wie en wat er op mij zat te wachten.
Laat ik niet verzuimen te vermelden dan mijn anderhalf jaar oudere zus Corrie op de Lindeschool twee klassen hoger zat bij bovenmeester Moreau die, als je zat te kletsen, zijn bos sleutels onverwachts op je schoolbank wierp. Alle klassen hadden schoolbanken waar je in elke bank met twee kinderen in zat. Moreau was Esperantist en beheerde met zijn vrouw en twee kinderen (Hettie en Sjuul) het Esperantohuis in park Presikhaaf. Wij hadden Hettie vaak te logeren. Het gezin woonde op de Oude Velperweg naast het gezin van Piet Rosseel dat eveneens het Esperanto beoefende. Vader en moeder Moreau stierven plotseling kort na elkaar. Rosseel plaatste met minister Klompé het bordje "Esperantolaan" aan het begin van de weg naar het Esperantohuis bij de hoek Velperweg en het Zorgtehuis "Vreedenhoff.
Nieuwe periode
Ik moest over naar de vijfde klas. En daar ontwaakte in mij het bewustzijn dat iedereen knapper was dan ik. Nou moet ik voorzichtig zijn met mijn levensbeschrijving, want als ik dit beweer, dan kan het de gedachte oproepen dat ik naar complimentjes zit te vissen. Zoiets van "nou, je kunt sommige dingen toch beter dan een ander". Maar mocht ik zulk een veronderstelde kwaliteit zelf noemen, dan ben je al gauw een opschepper.
Als na het speelkwartier de leerlingen van de zesde klas op de gang voor mij uitliepen, dan vond ik hen jonge volwassenen, die geen oog voor ons van de lagere klassen geen oog hadden. Hun taal was anders en de onderwerpen die bij vlagen onder mij gehoor kwamen, waren voor mij van ontoegankelijke hogere waarden.
Wij kregen ook te maken met andere meesters, waarvan de bovenmeester Van der Linden een gevreesde figuur was. Hij had een verbeten nijdig gezicht met lichte hangwangen, die gezag uitstraalden. Als je gedrag hem niet beviel moest je in de hoek staan met de rug naar de klas. En mocht je daar staande met een schijnheilig gezicht stiekem omkijken dan was een stevige klap op je wang je loon, waarvan enkele dagen lang de inslag van zijn trouwring zichtbaar bleef, zo zeiden de jongens tenminste onder elkaar.

Ik hoop, zo de tijd het mij vergunt, een "Terugblik 2" als vervolg te plaatsen.