donderdag 2 augustus 2012

KERK EN RELATIES


Het kost mij geen enkele moeite om nederig te zijn. Als ik in de kerk, commissies, verenigingen en buurtgemeenschap waarvan ik deel mag uitmaken, om mij heen zie, dan verbaast het mij dat anderen bepaalde zaken zoveel eerder en beter begrijpen dan ik. Met een paar mooie woorden gezegd: ik leef in dat opzicht blijkbaar met een “negatief zelfbeeld”. Alles wat ik doe kan een ander beter. Het enige wat ik doe en waar de meeste anderen blijkbaar meer moeite mee hebben is het opschrijven van mijn gevoelens en gedachten. Maar ook dan zie ik dat “echte schrijvers” dat beter kunnen dan ik. Niettemin volg ik die drang om mijzelf te uiten. Alhoewel ik soms adrem reageer op een uitspraak, komt de bezinning en het uiten pas later.
Daarbij komt dat schriftelijke uitspraken meer onder het vergrootglas kunnen worden gehouden en dat de ene lezer naar zijn instelling daarop zijn instemming betuigt en de andere zijn afkeuring laat horen. Over het algemeen wordt van de schrijver gevraagd dat hij niet negatief en afbrekend moet zijn maar positief en opbouwend. De meeste columnisten in de kranten lijken zich daarvan niets aan te trekken. Zij weten dat mensen graag mopperen en velen met hun kritiek instemmen. Onder het mom van vrijheid blijheid.
In mijn buurt zijn honderden mooie nieuwe huizen binnen drie jaar uit de grond gestampt. Daarvoor moesten wel eerst de zestig jaar oude, niet meer deugdelijke huizen worden gesloopt.

BEREIKBAARHEID
De lessen in het derde kwartaal van 2012 gingen over “evangelisatie” en de manieren waarmee die bedreven moest worden.
De voorlaatste week werd daarin het thema “relaties” besproken en de laatste les van 21 juli ging over de methoden. Er werd aangetipt dat “vroeger”) boekencolporteurs langs de deuren gingen, ook om in hun schamel onderhoud te voorzien. Alleen een enkeling, zoals de oudste, die ik al een aantal jaren mag zijn, weet data nog. Mijn vader was er één van. Daarna volgden de colportage-acties, waaraan twee tot tien geloofsgenoten deelnamen. Toen werd gepoogd belangstelling te wekken met het folderen. Tenslotte waren het de lezingen die eerst belangstelling trokken en daarna zag je geen mens meer. Natuurlijk werden tijdens de uitvoering van elke methode verhalen verteld over de wonderbaarlijke redding van één of meer buitenstaanders die daardoor “gewonnen” werden. Helaas zien wij van hen thans weinig terug en stellen wij vast dat als er van enige stabiliteit sprake is, dat te danken is aan de ouders, die tien procent van hun kinderen hen zagen volgen. Dat wil zeggen: het ene ouderpaar merkte tot zijn droefheid dat niet één van zijn kinderen de gemeenschap trouw bleef, terwijl het andere ouderpaar vond tot hun vreugde (en trots) één of alle kinderen in de kerk terug zag. De laatsten hadden zo hun geheime gedachten over de opvoeding van de andere ouders. En dat verschil gold niet alleen de leden en bezoekers, maar ook de predikanten, bestuursleden en andere functionarissen met hun partners die wanhopig alle soorten middelen inschakelden om hun kinderen maar te “behouden”.
Ieder wezen is nu eenmaal uniek en de veel genoemde “genen” die de overdracht van gevoelens en gedachten zouden bewerken, stonden niet garant daarvoor. Het komt er wel op neer dat thans ongeveer tien procent van de leden en bezoekers de kerk bevolken.

Hoe nu.
Daar ging het over. Op de vraag hoe de buren van het kerkgebouw over ons dachten, kwam geen antwoord. Ik wist uit het verleden dat een oud rechter die naast het gebouw woonde, voortdurend kritiek uitte over het lawaai dat wij minstens een halve dag in de week schopten. Zijn huishoudster was een kennis van me en die verklapte mij weleens zijn uitspraken daarover. De buren aan de andere zijde (nu studenten) negeerden ons. Ondanks folderacties toonden zij en andere buurtgenoten geen enkele interesse. Ik wist dat wij in het verleden zelfs nonnen als bovenburen hadden waarmee we vriendelijk omgingen ofschoon ze volgens de leer tot het “beest” uit Openbaring hoorden.
Over de buurtgenoten van ieders woning werd nauweljks gesproken. Het enige dat er uitkwam was dat zij ons toch elke zaterdagmorgen naar de kerk zagen gaan, wat hen welzeker diep aan het denken zou moeten zetten. De ouderling van een naburige gemeente die ook de preek deed, had een behoorlijk aandeel in het gesprek. Hij vertelde dat hij in een restaurant verbazing wekte bij het uitzoeken van het menu met de vraag aan de ober of er varkensvlees in zat. Met een licht verwijt voegde hij eraan toe dat veel geloofsgenoten niet eens wisten dat er in ham ook varkensvlees zat. Ook deze demonstratie zou een boodschap voor tafelgenoten en de ober moeten betekenen.
Aan het begin en het eind van de bespreking werd de benadering van de medemens door Paulus als voorbeeld gesteld. Daaruit valt gelukkig veel positiefs uit te halen. En omdat ik in het begin van deze overdenking heb gesteld dat wij mekaar vooral moeten bemoedigen door elk onderwerp positief en opbouwend moeten benaderen, zou ik eigenlijk met deze regels dit stukje moeten beëindigen. Maar hoe kan het: ligt dat aan mijn slechte karakter dat ik dan toch het gevoel overhoud mijzelf en alle anderen voor de gek te houden? Daarom besluit ik maar met de tekst uit 1 Kor.5:8 die de gespreksleider bij aanvang voorlas: ”Laat ons dus feestvieren niet met het oude zuurdeeg, noch met het oude zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met de ongedesemde broden van reinheid en waarheid”.
Dus heb ik niet gevraagd ook het eerste vers van dat hoofdstuk voor te lezen als voorbeeld hoe Paulus de mensen daar benaderde. Daaruit blijkt dat tot het einde problemen met ons gedrag blijven bestaan en dat boosheid en goedheid elkaar afwisselen en op deze wijze de mensen geholpen worden een keuze te maken. Als ik het leven van Jezus, Mozes, profeten, apostelen en eerste Christenen beschouw, werd er door hen hoofdzakelijk verwijten aan anderen, zelfs geloofsgenoten gemaakt.
Bloed, zweet en tranen. Hoe bestaat het dat de Christenfamilie zich toch uitbreidt.